Onze eeredienst - pagina 524
DE BAN EN WEDEROPNEMING.
520
wat
hij
naam van Christus en krachtens de
in
Christus ontving, doen
mag
autoriteit die hij
van
en moet.
Ten tweede wordt nu aangegeven, dat de Kerkeraad deze bevoegdWel raadpleegt de Kerkeraad de Gemeente, maar hij ontleent zijn macht niet aan haar, maar aan haar
heid in geestlijken rechte bezit.
Koning. zelf
Vandaar het beroep op hetgeen
Matth. XVIII door Christus
in
over het binden en ontbinden gezegd
is.
De
aan de Apostelen verleende machtsbevoegdheid,
daar door Christus
om
de zonde te binden en te ontbinden, wordt alzoo op den Kerkeraad zelven toegepast, en zonder aarzeling uitgesproken, dat het vonnis van den Ban, en evenzoo de vrijspraak en wederopneming, gelijk ze op aarde zijn uitgevaardigd, zoo ook gelden bij God. Het Formulier wil dus opzettelijk doen uitkomen, dat er niet maar een reglementaire handeling plaats grijpt, maar dat er geestelijk recht wordt gesproken, en dat hetgeen de Dienaar met de Ouderlingen in naam van Christus verricht, alzoo in de vierschaar Gods bevestigd wordt en vast ligt. Bij den Ban moet de zondaar weten, dat hij metterdaad onder het oordeel Gods viel, maar dan moet hij ook bij de Wederopneming verstaan, dat hij als nu inderdaad en waarheid weer in de heilgoederen der Gemeente deelt. Het Formulier wil dat hierover geen twijfel blijve hangen en spreekt het daarom zelfs tot tweemalen uit: 1 „De Heere Christus, Matth. XVIII, bevestigd hebbende het vonnis zijner kerk in de afsnijding der onboetvaardige zondaren, verklaart terstond daarbij, dat al wat zijne Dienaars ontbinden zouden op de aarde, ontbonden zoude zijn in den hemel"; en 2 „ten anderen leert Christus in de voorzeide uitspraak dat het vonnis der ontbinding, hetwelk uitgesproken wordt over zulk eenen bekeerden zondaar, volgens Gods Woord, voor bondig en vast gehouden wordt door den Heere; waarom niemand die zich oprechtelijk bekeert, eenigszins behoort te twijfelen, of hij is gewisselijk van God in genade aangenomen, gelijk Christus aldus zegt: Zoo gij iemands
zonden vergeeft, dien worden zij vergeven". Is nu hiermee de geestelijke rechtspositie vastgelegd, dan wordt het
derde
staande, uit
stuk
dat
alsnu
overgegaan
tot
de
de persoon die buiten de Gemeente stond, omdat
gezet was, in de
in
rechtshandeling hierin be-
Gemeente weder wordt opgenomen.
hij
er
Hier wordt
wien het aangaat, bij deze neme. Dat hij toch zijn schuld aan den Kerkeraad beleden heeft, is niet genoeg; hij heeft door zijn wangedrag de geheele Gemeente smaad aangedaan, en daarom is hij gehouden in het midden der Gemeente zijn schuldbelijdenis en
als
eisch
handeling
gesteld,
dat
tegenwoordig
de
zij
persoon en
zelf,
er deel aan
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911
Abraham Kuyper Collection | 568 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911
Abraham Kuyper Collection | 568 Pagina's