Onze eeredienst - pagina 398
:
BEDIENING VAN DEN HEILIGEN DOOP.
394
Eerst bij de Vermaning richt zich de Dienaar met het Doopkind zijn opgekomen. Dat de Gemeente zelve in dit eerste stuk van het Formulier wordt aangesproken, is omdat de te bedienen Doop niet enkel de Doopouders, maar geheel de Gemeente aangaat. Vóór het gebed staat er dan ook uitdrukkelijk bij, dat de bediening van den Doop ook strekt tot stichting der Gemeente. Dit woord stichting versta men hier niet verkeerd. Stichting wordt thans veelszins opgevat als datgene, wat ons in den ernstigen plooi zet en strekt om onze ziel onder den invloed van het Heilige te stellen. De Schriftuurlijke beteekenis daarentegen, die ook in het Doopformulier bedoeld is, neemt stichten in den zin van bouwen, opbouwen. Bedoeld is alzoo niet, dat de Gemeente door de bijwoning van den Doop een vrome aandoening zou ontvangen, maar dat ze, evenals door het Woord, zoo ook door het Sacrament, gebouwd zal worden in haar allerheiligst geloof dat de aan onze kinderen bediende Doop, voor heel de Gemeente een zegel op dit geloof zal zijn en dat alzoo een ieder die tegenwoordig is, \dien Doop beschouwen zal als ook hem tot
de geheele Gemeente.
bijzonderlijk
tot hen,
die
;
;
aangaande.
Het moet en
mag
niet zijn een assisteeren bij
deze of die familie, maar moet
zijn
een plechtig
iets
van
een zelf-inleven in het Sacrament,
namens Christus, aan een kind der Gemeente bediend wordt. De Gemeente zelve vormt één groote familie, en tot die groote familie behoort ook dit kind. Vandaar dan ook, dat de bediening van den Doop begint met de Verklaring, die zich niet speciaal tot de Doopouders, maar tot de geheele Gemeente richt. Het is dan ook onjuist,
dat,
zoo
men den vader doet
of
getuige
van
reeds
onder
de voorlezing van
dit
den Doopvader of getuige moet eerst plaats hebben als de Vermaning begint. Hierop te letten is geen bijzaak. Laat men toch den Doopvader reeds bij het begin opstaan, dan ontvangt de Gemeente den indruk, dat die voorlezing van het Formulier niet haar, maar alleen dien opgestanen vader en getuige aangaat. Van tweeën één. Bij die lezing moet men opstaan of niet opstaan. Maar moet er worden opgestaan, dan moet heel de Gemeente, althans het manlijk gedeelte, evenals onder het gebed, overeind gaan staan, en niet alleen zij die ten Doop kwamen. En omgekeerd moet de Gemeente blijven zitten, dan moet ook de Doopvader blijven zitten. Tot aan de Vermaning toe zij er geen onderscheid. Onder het lezen der Verklaring staan eerste
deel
allen gelijk.
opstaan
zijn
zitplaats.
Dit opstaan
van
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911
Abraham Kuyper Collection | 568 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911
Abraham Kuyper Collection | 568 Pagina's