Onze eeredienst - pagina 34
;
HET ALTAAR.
30
beurt glimlachen over de taaiheid, waarmee andere kerken nog altoos aan het gebruik van een altaar blijven vasthouden maar we behooren onzerzijds ook dit vraagstuk helder in te denken, ons rekenschap van ;
doen en laten te geven, en in staat te de hand, de door ons gevolgde gedragslijn ons
met Gods Woord
zijn,
te
in
verdedigen.
Onze positie ten deze toch is een zeer geïsole erde. Van de 1500 millioen zielen die op deze aarde wonen, en onder allerlei vorm openbaren godsdienst of afgodendienst uitoefenen, staan ten deze alle Heidenen, alle Roomschen, alle Griekschen, alle Lutherschen,
alle
met een
Episkopalen
betrekkelijk
tegenover ons, en wij Gereformeerden staan
kleine groep van hoogstens tachtig millioen op
f
•ons zelven.
We willen daarom in ons volgend artikel dit vraagstuk nader onder de oogen zien, en hiermede het uitgangspunt vastzetten voor elke principieele beschouwing van de Gereformeerde Liturgie.
VI.
Het Altaar. den bodem der aarde zich aan te nemen. Welbezien moet. niet de mensch het altaar maken, maar het nemen Dit wordt bij Israël uitgedrukt in de bepaling dat gelijk hij het vindt. lo. het altaar niet van gehouwen steen mag zijn; en 2o. dat men niet offeren mag op al wat men een altaar gelieft te noemen, maar alleen op Het altaar
opbuigt,
om
is
als
een hand Gods, die
de gave des menschen,
God
dien steen, of op dat altaar, dat
En wel
d.
uit
i.
zijn offerande,
zelf aanwijst.
toont de historie, dat dit hooge ideaal,
om
slechts één offer-
plek te hebben, opdat de monotheïstische gedachte ook in den eeredienst tot het uiterste zou worden doorgevoerd, niet dan na lange
worsteling in het volksbesef doordrong, en gaat
feil
al
wie technisch-
pedant elke afwijking van dien hoogen regel in Israël, zelfs nog door Samuël, als bewijs tegen het bestaan van den regel zelven aanvoert maar in beginsel moet toch metterdaad vastgehouden aan de absolute eenheidsgedachte, dat
ééne hand Gods
is,
God
één
zijn altaar
één
die zich opbuigt en uitstrekt
heel de menschheid in ontvangst
De vorm van
en
is
het
altaar
te
deed
om
is,
en dat het de
de offerande van
nemen. er
op zich
zelf niets toe.
Bij
de
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911
Abraham Kuyper Collection | 568 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911
Abraham Kuyper Collection | 568 Pagina's