Onze eeredienst - pagina 440
DE OVERGANG VAN DEN HEILIGEN DOOP TOT HET HEILIG AVONDMAAL.
436
twistvragen, een tweede behandelde vooral de bezwaren die tegen het
geloof werden ingebracht in apologetischen zin, en een derde poogde
van meetaf in de geestelijke anatomie in te leiden. Alles met uitnemende bedoeling, maar ver boven de maat uitgaande. Vooral op een dorp met veel wisseling van predikanten gaf dit zeer ernstige moeite. Dan toch kwam het vaak voor, dat de leerlingen zich met veel inspanning in den gedachtengang van den eenen predikant ingewerkt hadden, als er op eenmaal een andere leeraar optrad, die een gansch andere methode volgde, afbrak wat was opgetrokken, en nieuw begon de jeugd
te
bouwen. Er
zijn
leerlingen
op meer dan één dorp, die
de jaren
in
dat ze op de catechisatie gingen, drie of vier leeraren kregen, die elk
weer op andere wijze te werk gingen, er niet aan dachten sluiten bij wat hun voorganger deed, er zelfs niet naar informeerden, en alzoo de geesten op niet te herstellen wijze verwarden; iets wat vooral uitkwam, zoo de nieuwe leeraar vertelde dat wat de vorige leeraar hun had geleerd, niet waar was. Het lange uitstellen van het doen van belijdenis leidt dan ook zoo licht den verkeerden weg op. Door de kinderen in te wijden in vraagstukken die boven hun bevatting gaan, en hierbij te veel met het redeneerend verstand of met het geestelijk ontleedmes te werken, wekt men zoo licht twijfel, hetzij aan de waarheid, hetzij aan het zijn van een lidmaat van Christus. Die periode van twijfel heeft een ieder op zijn wijze te doorloopen, maar het is geen gezonde opvatting, zoo men die periode in het doen van belijdenis mengt. Dan toch werkt men, om toch maar aangenomen te zijn, zoo licht over den twijfel heen, of komt, zoo men ernstig gestemd is, tot telkens langer uitstel, zoodat er ten slotte personen van veertig en meer jaren zijn, die nog altoos niet tot een beslissing konden komen. Het is daarom zooveel beter het doen van belijdenis nader en nauwer aan den Doop te doen aansluiten, ze te plaatsen bij den uitgang van den kinderleeftijd en voor dat de vervoor zich
om
aan
te
standelijke
betweterij
opkomt.
Te zeggen
dat
dit niet
mag
en niet
kan, omdat een jongen of een meisje van 16 jaar niet over hun staat
kunnen oordeelen, gaat niet op, want ditzelfde beweren zou ook bij den Doop gegolden hebben, daar geen vader of moeder in staat is om over den staat van een pasgeboren wicht te oordeelen. Het gaat bij den Doop op geloofsvertrouwen, niet op keur. Wie keuren wilde, zou eerst op volwassen leeftijd moeten doopen en dan weer zoudt ge stuiten op de waanvoorstelling die zoo vaak een jongmensch aan zijn staat
van
doet
twijfelen,
uzelven,
en een losbol er over heen doet stappen.
noch van
uw
kind,
maar van
uw God
en
zijn
Niet
Verbond
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911
Abraham Kuyper Collection | 568 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911
Abraham Kuyper Collection | 568 Pagina's