Onze eeredienst - pagina 105
AMBTSGEWAAD.
101
d. in de kerk, mits ook daar alleen gedragen, zou het gelden kunnen. Gedragen ook op straat en in anderer omgeving, zou het in strijd geraken met de werkelijkheid, en leiden tot valsch vertoon. Het gewaad en de kleedij der doopersche sekten daarentegen was in zijn zwart uitdrukking van den weerzin, waarmee deze heiligen nog in de wereld verkeerden. Zij wilden niet meer geacht worden tot die wereld te behooren. De aarde was hun een kerker, en daarom trachtten enkelen hunner een eigen hemelsch koninkrijk in die wereld op te i.
richten.
De uit
naaktlooperij
te
Amsterdam ging dan ook, hoe vreemd
het schijne,
van geheel dezelfde gedachte.
Te Amsterdam ging men naakt loopen, omdat men zich van zonde deswege het kleed als bedeksel der schaamte niet meer noodig keurde. Dat kleed der schaamte was gepast voor de beschaamde wereld, die nog in haar zonde lag, maar was ongepast voor wie uit die wereld was overgezet in het hemelsch paradijs. In dat paradijs voegde het natuurlijk gewaad, waarmee God zelf in de schepping den mensch bekleed had. Anders niet. Maar ditzelfde kon men nu ook uitdrukken door in het zwart te verschijnen. Dan toch sprak men evenzoo de scheiding tusschen zich en de booze wereld uit. Men rouwde over haar zonde en protesteerde verlost gevoelde, en
tegen haar blinkend feestgewaad. die grondgedachte
Juist
die van een soortgelijke weten wilden.
is
intusschen niet die der Gereformeerden,
afscheiding
en mijding van de wereld niet
De Gereformeerden ontweken de wereld niet, maar gebruikten de als niet gebruiken de En daar nu de kleedij niet tot het
wereld
maar
geestelijk,
tot
het burgerlijk leven behoort, moest hier de heer-
schappij gelden niet van de particuliere genade, maar van de gemeene jgratic,
die aan de wereld
Voor
kwam
hen
tusschen
gebruik
het
en
met de geloovigen gemeen was veeleer aan op de rechte onderscheiding .
misbruik, en steeds heeft het daarom onder de
Gereformeerden
als regel
menschen
kleedden, maar zonder
zich
gegolden, dat
men te
zich kleedde zooals andere
vervallen in pronkzucht en
ijdelheid.
Er moest waardigheid, er moest voegzaamheid en
toch moest
scheiden.
zich niet in het
in
in
Alle kleuren zijn
één kleur ligt zonde. Maar gelijk men de deftige smaak ook nu nog gemakkelijk onderkent van den
niet
fijnen
de kleedij spreken,
oog loopend van anderen onder-
Hierin lag geen voorkeur voor het zwart.
van God, en
vrouw van
men
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911
Abraham Kuyper Collection | 568 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911
Abraham Kuyper Collection | 568 Pagina's