Onze eeredienst - pagina 314
DE PREDIKER ZELF GEROERD.
310
komen
zoo
brengt,
achtereenvolgens
ze
de prediking voor.
in
En het verband tusschen
een na het ander.
Het
die onderscheiden stukken
geen ander, dan het toevallig verband waarin ze blijkens den gekozen tekst voorkomen. „Wij dwaalden allen als schapen", is dan een stuk op zichzelf. Daarna komt „Wij keerden ons een iegelijk naar onzen weg." Daarop volgt de behandeling van „onze ongerechis
:
En
tigheid."
het feit der verlossing, dat de Heere al onze
eindelijk
Lam Gods
ongerechtigheid op het
doen aanloopen.
heeft
de Gemeente achtereenvolgens bepaald
bij
Zoo wordt
het karakter der zonde als
de eigenwilligheid die de zonde in den persoon kweekt, bij den staat van onze ongerechtigheid voor God, en eindelijk bij de verzoening die in Christus is teweeggebracht. Een veel te breede en te rijke stof, om ook maar met eenige nauwkeurigheid of
afdoling van God,
van
diepte
bij
opvatting behandeld te worden.
Vier groote stukken der
waarheid, die elk voor zich meer dan één volle predicatie eischen, en die
nu
achtereenvolgens
hiervan
is,
maar het ziel
En,
Gemeente een leiddraad
dat de
nadeel
vluchtig doorloopen worden.
dat
de
in het
Het voordeel
Schriftwoord heeft,
eenheid teloorgaat, dat zulk een predicatie
en zinnen niet concentreert, maar langs
allerlei
paden loopen doet.
erger nog, dat ze verleidt tot groote oppervlakkigheid; en dat te
om
door elk dezer vier groote stukken niet anders dan de algemeen bekende, groote waarheden aan te zeggen. Zulk een prediking doodt. zoo
meer,
de
prediker
zich
verlokken
laat,
Zaak is het daarom, de positie van den Dienaar tegenover zijn Gemeente principieel in het oog te vatten. Dan toch gevoelt men aanstonds, dat uit die positie ook wel de noodzakelijkheid van onderwijzing voortvloeit, maar niet minder dat onderwijzing hier slechts één der middelen is, die de Dienaar bezigt om zijn hooge taak te volbrengen. Hij staat tegenover zijn Gemeente als gezant van zijn Zender. Ook wel als broeder onder de broederen, maar slechts in zooverre als hij in een zelfden nood met hen verkeert, en door een zelfde heil als zij staande blijft. Wie predikt, heeft dan ook allereerst tot zichzelven te prediken. Zijn eigen prediking moest allereerst hemzelven, zijn eigen ziel aangrijpen, ze moet bij zijn eigen hart een getuigenis van zijn God zijn. Ze moet in zijn zielsbestaan de proef hebben doorgestaan, dat niet.
ze
vernedert
Predicatie
en is
opheft, aangrijpt, troost en sticht.
geen
broederlijk
vermaan.
Ze
is
Maar verder
ambtelijke ver-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911
Abraham Kuyper Collection | 568 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911
Abraham Kuyper Collection | 568 Pagina's