Onze eeredienst - pagina 231
FORMULIEREN VOOR SCHULDBELIJDENIS.
En
227
het besef van in genade te staan, van genade ontvangen
dit nu,
tegen die genade gezondigd
te hebben, spreekt van wat dit gebed niet kent. Heel de toon er van is de zielsuiting van een in zonde verzonkene, die voor het eerst vrede zoekt, en tot smeeken om genade kwam. Het Verbond leeft niet in dit gebed. Het is een staan voor de Wet, zoekende van den doem der Wet verlost te worden. En het is niet
hebben, en
te
juist
ondank en trouweloosheid, en
de
van
zielsuiting
geloovige
gevoelen,
schuldiging
hoe
dit
is
het,
kinderen
juist
Gods,
die
met diepe zelfbe-
daardoor de kleinste zonde hun zoo
omdat voor hen de kleinste zonde het karakter aanneemt, van Gode zonde voor genade vergolden te hebben, en de trouw jegens den Vader in de hemelen te hebben geschonden. De uitwerking hiervan is dan ook, dat de meesten bij zulk een gebed niet verootmoedigd worden, omdat ze, verlost van de Wet, dat „gruwelijke" van hun zonde tegenover de Wet niet alzoo gevoelen, tenzij dan in die gevallen, waarin ze schromelijk waren uitgegleden. We zeggen daarom niet, dat in zulk een Schuldbelijdenis niet ook de bede om steeds voortgaande bekeering haar plaats moet vinden, noch ook ontkennen we, dat ook de onbekeerde ten leven moet komen, maar al kan aan dit alles een plaats worden ingeruimd, het kan en mag niet het stempel op dit gebed zetten. Het schuldbesef over terugzinking na de bekeering moet in ons hart veel dieper gaan, en draagt door onzen ondank en onze trouweloosheid veel bitterder karakter, dan de kennisse der zonde die de misstaat,
eerste maal tot bekeering leidt.
Wie
trouwe
de
tegen
tegen
voelt
de zijns
genade, tegen de ontferming, tegen de
Gods
liefde,
gezondigd te hebben, zinkt veel dieper
zichzelven weg, en laat toch aan den anderen kant het werk
in
aan
en
ziele
zijn
zijn
bewezen genade
niet los,
Gods
maar neemt het
als
pleitgrond, en richt er zich aan op.
Ook de het
Schuldbelijdenis
woord,
strijdt.
iets
voor onze
kinderen komt er niet
wat evenzoo tegen den Doop
in
aan
en tegen het Verbond
Met onze kinderen moeten we voor God
staan, en niet alleen
voor ons zelven, alsof onze jonge kinderen ons niet aangingen, noch
ook
alsof
hun zonde God
niet vertoornde.
hoe roerend schoon ook in de ure als de worstelingen der bekeering bij ons op het doorbreken staan, toch niet de schuldbelijdenis is van het begenadigde Kortom, er
ligt
kind tegenover
Het
zou
in
hier een Schuldbelijdenis voor ons, die
zijn Vader in de hemelen. den dieperen toon gezet, niet verloren, maar gewonnen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911
Abraham Kuyper Collection | 568 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911
Abraham Kuyper Collection | 568 Pagina's