Onze eeredienst - pagina 515
DE BAN EN WEDEROPNEMING.
op
de
beginselen
eerste
vastklemme
Christus
kroon
en
en
van
kwaad in
Dienaren mogen
den
blijdschap
het
eendrachtelijk
511
toezie,
zich te vaster aan
Godzaligheid
levende, de
den Heere.
„Zoo wacht u dan mede voor de minste beginselen des kwaads en, naar de vermaning des Apostels, afleggende allen last, en de zonde die ons loopt met lijdzaamheid de loopbaan die ons is lichtelijk omringt, voorgesteld, ziende op den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs, Zijt nuchteren. waakt en bidt, opdat gij niet in verzoeking Jezus. Heden, zoo gij de stemme des Heeren hoort, verhardt uw hart valt. maar werkt uws zelfszaligheid met vreezen en beven. En een niet opdat onze God ons niet iegelijk hebbe berouw van zijne zonde wederom vernedere, en dat wij rouw zouden moeten hebben over iemand van ulieden". Moeilijker was de verhouding tegenover den afgesnedene te bepalen. Eenerzijds moest hij zijn als een heiden en tollenaar, met wien men allen omgang meed, en toch mocht ook aan den anderen kant de afgesnedene niet aan zichzelf worden overgelaten. Ook zonder omgang met hem te hebben, behoorde men hem toch nu en dan in ernstigen toon toe te spreken, en dit toespreken moest weer plaats zijn
in
;
;
hebben
Na
als tot een broeder.
dit
mulier,
vermaan
bestaande
komt dan ten slotte het laatste stuk van het ForSchoon is in deze uitnoodiging tot het Gebed.
in
gebed de betuiging, dat we Gods heiligen naam zullen aanroepen Zoo toch staat er: „Doch aangebelijdenis van eigen zonde". werkt, beide het willen en het werken, het is, die in ons zien God naar Zijn welbehagen, zoo laat ons Zijnen heiligen Naam, met belijdenis onzer zonden, aldus aanroepen Juist waar men een diepgevallen zondaar afsneed, moest gewaakt
het
„met
:
zelfverheffing, en daarom openlijk uitgesproken, dat Gemeente op Gods genade vertrouwt, niet omdat men zonder zonde was, maar, zijn zonden belijdende, in het werk van Christus rustte en vrede had. Breed wordt dit dan ook in den aanhef van het gebed uitgewerkt, als het heet „O, rechtvaardige God, barmhartige Vader, wij klagen onszelven aan vanwege onze zonden voor uwe hooge majesteit, en bekennen wel verdiend te hebben de droefheid
tegen
geestelijke
men daarom
als
:
de afsnijding van de/en onzen gewezen medelidmaat, ja wij zijn allen waardig, om van U afgesneden en verbannen te worden, om onzer groote overtreding wille, zoo Gij met ons
en
in
smart,
die
ons
is
aangedaan
in
De Gemeente spaart in het gebed zoodoende waarom zij niet zelve wordt afgeberouw en haar toevlucht nemen tot de genade
het gericht wilt treden".
zich zelve niet, en de eenige oorzaak
sneden
is
haar boete en
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911
Abraham Kuyper Collection | 568 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911
Abraham Kuyper Collection | 568 Pagina's