Onze eeredienst - pagina 377
BEDIENING VAN DEN HEILIGEN DOOP.
373
komen. Inlijving in de Gemeente van een van ingekomen broeder gaat, in plaatselijken zin, zonder eenig cereEen opzettelijke ontvangst of verwelkoming heeft nergens monieel toe. daarentegen van een kindeken greep, naar Gereinlijving De plaats. formeerde ordening, steeds in het midden der Gemeente plaats, en zulks niet ter eerster instantie, omdat de Doop in de Gemeente inlijft, maar omdat voor het kindeken het recht op den Doop opkomt uit zijn De Doop is ouders, voor zooveel deze tot de Gemeente behooren. Verbondszegel en dit zegel wordt daarom alleen op het voorhoofd van zulk een kindeken gezet, indien zijn ouders in die bepaalde Gemeente in het Verbond Gods besloten zijn. Vandaar, dat bij den kinderdoop in de eerste plaats de aandacht der Gemeente gevestigd moet zijn op hen, aan wie het kindeke het Dooprecht ontleent, en eerst daarna zich op het kindeken zelf kan richten. heerscht, tot haar recht
elders
Dit gaat zoover, dat kerkelijk nooit eenige maatregel verordend
is,
om
voorkomen dat men geen kindeken onderschoof. Men neemt aan, aangebodene kindeken metterdaad het kindeken van dien man en die vrouw is, al ware in een groote Gemeente misleiding zeer wel denkbaar, en al laat zich zeer wel een beweegreden voor de eigenlijke moeder van het aangeboden kindeke denken, om niet zelve voor de Want het is wel zoo, dat voorvrucht van haar schoot op te komen. legging van het geboortebriefje gevraagd wordt, maar wie weet niet hoeveel geboortebriefjes in een stad als Amsterdam beschikbaar voor gebruik gereed liggen, van kinderkens die kort na den doop stierven. te
dat het
schaamt over haar zonde, en toch haar kind niet ongedoopt wil laten, kan op die wijs haar doel bereiken zonder haar eigen naam bloot te geven. De naam van haar kindeke staat dan wel niet in het boek, maar zij weet dan toch, dat haar ongelukkig wicht tenminste gedoopt is. Doch gelijk gezegd, op de identiteit van het kindeken heeft zich de kerkelijke zorg nooit gericht, en terecht, want zulke misleiding mag bij „geloovigen", en alleen de kindekens der „geloovigen" hebben op den Doop recht zelfs niet ondersteld worden. De eenige zekerheid
Zulk
een
moeder,
die
zich
—
—
Gemeente behoeft
die de als zijn
is
daarom, dat
Meer kan geen publieke eisch Dat zelf.
die het kindeke aanbiedt
hierbij
der kerk bekend
de vader de handelende persoon moet
Ook de moeder kan moet
lid
regel
zijn,
sta.
zijn.
handelen,
desvereischt
toeziend voogd, zoo de moeder niet kan
vader
hij,
kindeken, als „geloovige", en dus als
en alleen zoo
;
hij
maar
zijn,
of
spreekt van-
desnoods een
het optreden van den
óf overleed, of ziek
ligt,
óf
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911
Abraham Kuyper Collection | 568 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911
Abraham Kuyper Collection | 568 Pagina's