Onze eeredienst - pagina 211
BELIJDENIS VAN ZONDE.
Toch ware
nog minder geweest,
dit
zoo de predikers vooraf de
terdege bestudeerd hadden, en nagegaan wat
formuliergebeden
beide
207
Zoo zouden
En dan zou het ze hebben leeren bidden. hebben vastgestaan, dat het allereerste wat in zulk een gebed op den voorgrond moet staan is de openlijke belijdenis van er
inzat.
terstond
hen
bij
zonden.
Maar ook reeds
deed men
dit
lang
jaren
gebed"
„lange
het
we hebben
en
niet,
uit
zonder dat ze nog ooit de moeite namen, dat
vooraan
in
predikers gekend, die
zich zelf gebeden hadden,
om
dat rijke formuliergebed
onze Liturgische gebeden voorkomt, aandachtig na
te
lezen.
Op
die wijze
doen
toen
is
van schuld" er
feitelijk
het alle
Aanleiding
zonden" maar hiertoe
apart hield,
gaf
te
stil
weg
meer
om te
de
uit
den
titel
dat: „Openlijke
laten.
wezenlijke
fout,
die
in
onze
men namelijk deze Belijdenis van zonden niet maar met het Gebed voor de „opening des Woords" inéén
begaan
Liturgie
belijdenis
uit geraakt, en de uitgevers, de praktizijns vol-
gende, hebben zich toen veroorloofd, belijdenis van
Zondagen „openlijk
is,
dat
deed vloeien. Dat heeft men in de Fransche en Waalsche kerken niet gedaan, en ook niet in de Engelsche kerken, gelijk dit ook in andere kerken buitenaf geenszins het geval was.
Daar hield men de Belijdenis van zonden afzonderlijk, en liet een kort gebed voor de „opening des Woords" volgen op de aankondiging van den tekst. Ook in de Liturgie van a Lasco voor de Nederlandsche Vluchtelingengemeente te Londen opgesteld, zijn het Gebed vóór de „opening des Woords" en het Gebed van Belijdenis van zonden, twee geheel op zich zelf staande gebeden (Editio Kuyperi II. p. 82 en 85). Juist de vermenging in ónze Liturgie gaf alzoo aanleiding, dat men het eerste stuk de Belijdenis van zonden, glippen liet, en er te kwader ure het „Gebed voor de nooden der Christenheid", dat anders na de :
predikatie
Hoe
rijk
Liturgie
kwam, vaak meê saam deed
vloeien.
en treffend die Belijdenis van zonden ook zóó nog
was,
moge
blijken uit de
in
onze
eenvoudige mededeeling van haar
inhoud.
Ze luidde aldus
:
o Eeuwige God en allergenadigste Vader, wij verootmoedigen onszelven den grond des harten voor uwe hooge majesteit, tegen welke wij zoo menigmaal en zoo gruwelijk gezondigd hebben, en bekennen, dat, zoo Gij uit
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911
Abraham Kuyper Collection | 568 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911
Abraham Kuyper Collection | 568 Pagina's