Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

In Jezus ontslapen - pagina 178

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

In Jezus ontslapen - pagina 178

3 minuten leestijd

JÖ8

Abraham te weten hoe geheel verschillend het levenslot van dien rijken man en van dien armen Lazarus op aarde was geweest. Men voert dan aan, dat wat bij Jesaja staat niet een woord van God, niet een Godsspraak, maar een klacht van een mensch is, die zich vergissen kon, en dat in elk geval het woord van Jezus bij ons veel zwaarder moet wegen. Volgens Jesaja's klacht weet Abraham van ons niets, naar luid van Jezus' gelijkenis kent Abraham heel ons levenslot. En alzoo zal niet wat Jesaja klaagde, maar wat Jezus leerde waar zijn. Toch gaat ook dit weer te ver. Jezus spreekt hier in een .

In die gelijkenis is, blijkens wat er van Abrahams schoot staat, het beeld uit de toenmalige voorstelling der Joden genomen. Immers geen onzer zal zoover gaan, om te verwachten dat hij na zijn sterven alsnog in Abraham's schoot zal gedragen worden. De verwachting der toenmalige Joden richtte zich na het sterven op Abraham; onze verwachting gaat niet naar den ouden Patriarch uit maar naar „ het zijn met Christus ". Slechts zooveel blijkt, dat Jesaja's klacht alleen slaat op het niet afweten van wie we op aarde niet gekend hebben, en niets beslist omtrent het nog merken, ook na onzen dood, van wat hun wedervaart met wie we op aarde lief en leed gedeeld hebben. gelijkenis.

,

,

Over die nadere vraag nu verspreidt de Heilige Schrift geen Uit het verhaal omtrent de toovenaresse van Endor valt niets af te leiden overmits men hier te doen had met bedriegerij en bijgeloof. Ook het herkennen van Nebucadnezar door zijn verslagen vijanden in het visioen van Jesaja 14 als ze hem toeroepen zijt gij gevallen . Hoe o Morgenster " geeft geen uitsluitsel naardien de teekening van zulk een visioen nooit met historie mag w orden gelijk gesteld. Valt nu moeilijk aan te nemen, dat gelijke vragen niet ook in de dagen van Jezus en de apostelen zouden zijn gerezen en blijkt nochtans, dat in geen der brieven ons een openbaring desaangaande gegeven wordt, zelfs niet in het boek der Openbaringen van Johannes dan mag hieruit afgeleid dat de Heere niet wil, dat we ons te veel in deze mijmeringen en overpeinlicht.

,

,

:

,

!

,

r

,

,

,

zingen verliezen zullen. Al wat ons dus overblijft, is uit den aard der zaak onze gevolgtrekkingen af te leiden. En dan wordt zeer zeker het kennisdragen van wat ons op aarde wedervaart, voor onze in Jezus ontslapenen in hooge mate onwaarschijnlijk. Ook na het sterven blijven onze ontslapenen eindige wezens, schepselen met beperkten gezichteinder. Van alwetendheid is bij

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912

Abraham Kuyper Collection | 236 Pagina's

In Jezus ontslapen - pagina 178

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912

Abraham Kuyper Collection | 236 Pagina's