In Jezus ontslapen - pagina 123
113
Vroeger deed men
manier waarop men nu honderd schapen op een gemeenschappelijke weide hoeden zou er over schaap en schaap eindeloos krakeel zijn, indien niet op elk schaap een merk van den eigenaar stond. Zoo brandt men paarden in de kroep. En in landen zonder sloten en met groote koppels runderen het rundvee in den hoorn. Van zelf bracht de slavernij dit ook op menschen over. Toen één man soms honderd en meer slaven ging houden rees telkens geschil over de vraag wie van ivien was, en toen scheen het practisch het veiligst, den armen slaaf den naam of het teeken van zijn meester in het lijf, soms zelfs op het voorhoofd, te branden. Min pijnlijk doet de zeeman dit nog, door een anker met een eigen teeken op borst of arm te tattoueeren. En toen de Justitie nog over minder middelen ter herkenning van een booswicht beschikte, greep ze het brandmerken als hulpmiddel aan, om een die uit den kerker ontsnapte, of later haar als recidivist in handen viel, zeker en vast te kennen. Thans heeft
nog
dit veel, op de dieren merkt. Als drie herders elk ,
,
Bertillon hier de anthropometrie voor ingevoerd
d.
,
i.
het precies
meten en opnemen van eiken gevangene. Maar het doel in alle dezen blijft een en is het hebben van een merk niet in iemands kleed, noch in zijn papieren, maar in zijn persoon zelf, waaraan men, desnoodig, den persoon zeker herkent. Een kleed laat zich verwisselen, papieren laten zich vervalschen, maar een merk,
,
teeken in den persoon zelf blijft. Van dergelijke teekens meldt ook de Schrift. God stelde aan Kaïn een teeken, opdat hem niet versloeg wie hem vond. Een vrijgelatene, die verkoos in zijns heeren huis te blijven, werd het oor doorpriemd. En ook, wat meer nog zegt, het zaad Abrahams werd in de voorhuid besneden en zoo werd de besnijdenis een teeken aan den persoon zelf van zijn aanhoorigheid tot het volk van God. Zinbeeldig werd ons dit merkteeken op het voorhoofd gesteld in den Heiligen Doop, waardoor de naam van God Drieëenig, vergeestelijkt, op ons geschreven wordt. En van dit zinbeeld nu komt eens de werkelijkheid in den doorluchtigen dag des Heeren, als Christus op het voorhoofd van den overwinnaar schrijven zal den naam zijns Gods, den naam van de stad zijns Gods, en zijn eigen nieuwen naam. Zoo droeg Aaron om zijn voorhoofd „de gouden plaat, de kroon der heiligheid", waarin gegraveerd stond: De heiligheid van Jehova. 7i&\ nu de overwinnaar „ een pilaar zijn in den tempel zijns Gods", zoo sluit zich hieraan vanzelf zijn priesterlijke eere, nu niet meer door een graveersel op gouden plaat, maar in zijn wezen zelf uitgedrukt: Deze is van Jehovah, medeburger van het Nieuw Jeruzalem, het eigendom van Christus. ,
8
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Abraham Kuyper Collection | 236 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Abraham Kuyper Collection | 236 Pagina's