Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Zijn uitgang te Jerusalem - pagina 118

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Zijn uitgang te Jerusalem - pagina 118

3 minuten leestijd

106 betuiging in den tweeden Psalm, en die Psalm eindigt met den uitroep, dat de „Koningen der aarde" voor dien Koning van Sion de knie zullen buigen. Tegenover dien van Grod gezalfden Koning nu had zich de wereldmacht onder den Korneinschen Keizer verheven. Ook Palestina was door den Keizerlijken adelaar overweldigd. En toen op GJ-abbatha Jezus voor Pilatus verscheen, stonden in Pilatus en Jezus deze twee machten verpersoonlijkt tegenover elkander. De Christus, aan wien Grod als zijn Koning alle macht gegeven had in hemel en op aarde, en de Landvoogd van den üomeinschen Keizer, die met wapengeweld de heerschappij over de geheele toen bekende wereld veroverd had. En in verband hiermede sprak het zoo sterk, dat, onder de leidingdes Heeren, de keizerlijke macht alsnu haar eigen oordeel boven het kruis van Jezus liet aanslaan. Of is het niet zoo, dat juist in het Koningschap, dat de Christus van zijn Grod ontving, de meest volstrekte en de scherpste veroordeeling lag van heel Roine's keizerlijke macht? Zeker, het was zoo niet bedoeld. Naar Pilatus' bedoelen was dat opschrift een woord van spot en hoon. Maar zoo is het telkens in dit heilig drama. Cajaphas spreekt van „één die sterven moet voor al het volk," en Pilatus schrijft van den „Koning der Joden"; en in dit ondoordacht woord van G^ajaphas en van Pilatus, spreekt Grod, als door zijn onwillige instrumenten, zijn heilig mysterie uit.

Aldus stond de tegenstelling ten opzichte van Rome's maar anders stond het in Messiaanschen zin. „De Joden", zegt heel iets anders dan „Israël".

keizer;

is, voor het volk uit Abraham gesproten, de heilige, de zelven aan dat volk gegeven naam. „Joden" gingen ze heeten, toen hun eere vervallen was, toen vreemden over hen heerschten, toen de staat door Mozes geordend te niet was gegaan, toen hun geestelijk ideaal was verdonkerd, en toen ze hun hoogste verwachting stelden in de komst van een aardschen Messias, die een rijk van aardsche glorie voor hen zou oprichten. Zoo was Herodes, de zoon van Edom, koning der Joden geweest. Maar zoo is de Messias van den Psalmist, zoo is de Messias der profeten niet. Hij zou zijn de spruit uit den afgehouwen tronk van Isaï, de Koning Israëh. Tusschen liet Sanhedrin en Jezus was daarom de tegenstelling niet Koning of Keizer, maar Koning der Joden of de Koning ran

„Israël"

door

God

Isruel.

En

zoo verstaan, was dat opschrift boven het kruis een smading.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912

Abraham Kuyper Collection | 208 Pagina's

Zijn uitgang te Jerusalem - pagina 118

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912

Abraham Kuyper Collection | 208 Pagina's