Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Zijn uitgang te Jerusalem - pagina 162

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Zijn uitgang te Jerusalem - pagina 162

3 minuten leestijd

150

Johannes op Pathinos was neergedaald, en hij het hemelsch Jeruzalem aanschouwde, toen stond het Lam Grods voor hem, en riep „Ik ben de Alpha en de Omega, het begin en het einde, en ih zal den dorstigen geven uit de Fontein van het water des levens te drinken om niet!'" Gewisselijk ook het Brood des levens is uw Heiland, maar toch veel sterker nadruk legt hij er op, dat hij uw eeuwigen dorst zal lesschen. „Die van dit water drinkt, dat ik hem geven zal, zal niet meer dorsten in der eeuwigheid !" En toen hij in den voorhof van Jeruzalems tempel stond, om het volk tot zich te roepen, toen ook klonk het van zijn lippen: „Zoo iemand dorst heeft, die kome tot mij en drinke!"

„Dorsten", dat was dan ook het schreiend amechtige beeld waarin reeds de psalmisten en profeten vanouds het roepen der ziel naar den levenden (xod ons hadden afgeteekend. „Grelijk een hert hijgt naar de waterstroomen, zoo smacht mijn ziel naar U, o, God. Mijn ziele dorst naar Grod, naar den levenden Grod!" !" „Mijne ziel dorst naar in een land dor en mat en zonder water heet het in Psalm 63. En als Messias reecis vanouds door Jesaia de zijnen tot zich roept, gaat zijn stem uit „o, Alle gij dorstigen, komt tot de wateren, en gij die geen geld hebt, koopt zonder geld en zonder prijs wijn en melk." Grods heerlijkste beloften zijn, dat Hij „water zal gieten op de dorstigen " en „het dorstig land

U

:

tot springader zal stellen." Ja, Grod zelf, dat Eeuwige Wezen, heet de Bronwei en Springader en Eontein van alle goed. Zoo hangen dan ons bloed en onze dorst saam en omdat in ons bloed ook het leven van onze ziele is, vloeit in dien dorst van het bloed het beeld van ons lichamelijk en van ons geestelijk lijden inéén; maar is dan ook de lessching van dien dorst het heerlijk beeld van wering van alle helsche smarte en overgieting met hemelsche weelde in een heerlijkheid zonder einde. Toen dus uw Heiland roepen moest: „Mïj dorst/" sprak in dien bangen uitroep iets van de ervaring van helsche smarte. Het was uw dorst, waarmee gij eeuwiglij k hadt moeten verdorsten, dien uw Verlosser om uwentwil doorstond; een dorst opgekomen in het bloed dat hij bij zijn vleesch wording uit uw bloed had overgenomen; een bange uitdroging van het levensbloed waaraan hij om u te redden, zijn eigen goddelijk leven verbonden had. Toen hij nu riep „Mij dorst !" had de wereld niets voor hem dan een zwijmeldrank of een wrangen edik. Maar dien zwij meidrank wees hij af, en aan die spons met edik heeft hij zijn brandende lippen verkoeld. En met dien druppel edik achtte de wereld haar tol van deernis aan den stervenden lijder betaald te helmen. ;

:

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912

Abraham Kuyper Collection | 208 Pagina's

Zijn uitgang te Jerusalem - pagina 162

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912

Abraham Kuyper Collection | 208 Pagina's