In Jezus ontslapen - pagina 187
,
177
de
ongeloovige wereld driester elk voortbestaan na den dood vrome verzinning veroordeelde, de geloovige Christenheid te beslister niet enkel voor de onvernietigbaarheid van de ziel, maar ook voor de wederopstanding des vleesches is opgekomen. Vroeger nam men feitelijk vrede met het voortbestaan van den halven mensch; thans eischt het geloof, op grond van de Heilige Schrift, weer den geheelen mensch voor de eeuwigheid op, naar ziel en lichaam beide. als
Toch blijft het ook zoo een mysterie. Niet het gezicht in de doodenvallei van Ezechiël 37 maar alleen de apostolische openbaring 1 Cor. XV mag ons bij het indenken ervan leiden. Vleesch en bloed d. w. z. de aardsche stoffen waaruit hier ons lichaam bestond zullen het Koninkrijk Gods niet beërven. Maar die stoffen zijn ook ons eigenlijk lichaam niet. Iets wat ge reeds daaruit merkt, dat ons lichaam van de wieg tot het graf hetzelfde lichaam blijft, terwijl de stoffen, waaruit vleesch en bloed zijn saamgesteld, rusteloos wisselen. Elke zeven jaren komt die wisseling zoo volkomen tot stand, dat er in het lichaam van een volwassen man geen enkelen druppel bloeds en geen enkele vezel vleesch meer over is, van wat in de wieg aan hem was. Wederopstanding „ des vleesches " kan dus niet beduiden wat elders „Yleesch en bloed" heet, maar is de zichtbare vorm van ons menschelijk wezen, in tegenstelling met ons geestelijk ziels,
,
,
,
,
bestaan. De plant geeft hier het duidelijkste beeld.
Meer dan één plant de winterkoude komt, boven den grond geheel weg, zoodat er alleen de bol van in de aarde blijft maar als de lentezon weer koesterend straalt komt uit die verborgen bol dezelfde plant weer in nieuwen vorm te voorschijn. Aan elke tulp, aan elk varengewas aan elke hyacinth kunt ge dit waarnemen. Ook de rups blijft hetzelfde wezen, als ze straks haar rupsenvorm verliest en als vlinder in heerlijker gestalte uitkomt. En dat we recht hebben op die teekenen der natuur te letten toont Paulus zelf aan door wat hij naar Corinthe schreef. Ook hij toch wijst ons op het graan dat in de aarde valt en sterft, en dat, na den dood, van God een nieuw lichaam ontvangt, maar ook zoo toch opkomend uit de graankorrel. Er zijn aardsche lichamen en er zijn hemelsche lichamen, en elk heeft zijn eigen schoon en zijn eigene heerlijkheid. sterft, als
,
,
,
12
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Abraham Kuyper Collection | 236 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Abraham Kuyper Collection | 236 Pagina's