Zijn uitgang te Jerusalem - pagina 122
110
Vooraf hadden ze gewaand, dat het kruis de grootheid van Jezus zou doen tanen, en zie, nu van achteren gaat het oog hun open voor het feit, dat eerst door dat kruis hun Heiland groot boven alles is geworden. Het is nu niet „de Christus", en, helaas, die Christus aan het kruis gestorven, maar heel anders: Die Christus zonder het kruis voor hen voorbijgegaan, en die Christus met zijn kruis de Christus in zijn glorie voor hen geworden. En daarom „Christus en die gekruist", aldus weerklinkt van die ure af de taal huns roemens. En het is die taal des roemens die de wereld is ingegaan die de eeuwen doorklonken heeft en die als een klank van zegepraal en overwinning ook ons zielsoor bereikt heeft. :
:
;
;
Het was de „zelfsofferande" waarin het mysterie van verlossende, heiligende kracht school, en die ons de wondere kracht van het kruis van Grolgotha vertolkt. Zelfopoffering had de wereld ook vóór het kruis gekend. Onder alle volken had de heldenmoed geblonken, die zich voor het vaderland in den dood wierp, of in de toewijding der liefde zelfs het leven geen te kostelij ken prijs achtte. Hoe diep onze menschelijke natuur ook door de zonde gezonken was, zooveel vonkskens van hoogeren zin glinsterden, dank zij de gemeene genade, nog wel in de borst van de edelen van ons geslacht, dat de overlevering onder alle natiën nog van veel schoonen heldenmoed en zoo niets ontziende toewijding wist te verhalen. Ook in het stille huisgezin was zoo menigmaal dezelfde schoone trek in de toewijding van vrouw en moeder gezien. Soms had
zelfs
een slaaf
om
zijn
meester te redden den dood
getrotseerd.
En
toch dit alles was nog de „zelfsofferande" niet. Die kon geen onzer, die kon geen kind des menschen, in zonde geboren, brengen, want die „zelfsofferande" moest op het altaar Godes gebracht, en op het altaar G-ods mag niets komen, dat bevlekt, verminkt of onrein is. Niet het trotseeren van den dood stempelde dit zich overgeven tot een offerande. Die offerande ontving haar stempel eerst door de volkomenheid der toewijding aan Hein, uit wien ons leven en heel ons aanzijn was, en wien deswege heel dat aanzijn, nu en eeuwiglrjk toekomt. Dat die „zelfsofferande" door den dood gaat, is zelfs bijkomstig. In het paradijs ware die zelfsofterande zelfs van alle aanraking" met den dood vrij gebleven, indien de eerste Adam die „zelfsofterai nu niet, door ze zelf te verzaken, op den tweeden Adam gelegd had. 1
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Abraham Kuyper Collection | 208 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Abraham Kuyper Collection | 208 Pagina's