Zijn uitgang te Jerusalem - pagina 125
113
maar
nooit één boosdoener heeft zoo ontzettend als de heilige Jezus onder dien smaad van het naakt ten toon gesteld worden geleden. Dat klagen Ze hebben mijne kleederen uitgetogen was reeds in den psalm de bittere angstkreet van het hart, als smeekte de Immanuël, dat het toch tot dat uiterste niet mocht komen. Ook mijn kleederen mij voor aller oog van het lijf trekken Vader, indien deze drinkbeker kan voorbijgaan; tenzij dat ik o, :
hem
!
drinke.
In het kleed
ligt
's
menschen eerbaarheid, de achtbaarheid voor
een kindeke geboren wordt, ligt zijn kleedje in de wieg hem op te wachten, en als de inensch sterft, gaat hij nog met zijn kleed in het graf. Alleen het kindeke Jezus wachtte geen kleed bij zijn komen in de wereld op. Hij werd „in doeken gewonden." En ook toen hij naar het graf wierd uitgedragen, „bonden zij hem in linnen doeken, met de specerijen", en legden hem aldus in Jozefs hof. Maar in de dagen zijner omwandeling is ook Jezus in menschelijke kleederen gezien, en ook bij hem was zijn kleed zoo nauw en teeder met zijn lichaam en daardoor met zijn persoon verbonden, dat er kracht van den zoom van zijn kleed uitging, toen de arme kranke vrouw, die van schaamte niet spreken dorst, en die toch geloofde, zich niet verder wagen dorst, dan om den zoom van zijn kleed aan te raken. Ook toen hij op Thabor verheerlijkt wierd, gleed zijn kleed hem niet van de schouders, maar deelde zijn kleedij in de onbeschrijflijke heerlijkheid die van hem uitstraalde en waarmee hij overdropen werd; en ook zijn kleed blonk, zoo lezen wij, blonk nwit ah sneeuw, lioedanige geen roller op aarde zoo wit maken kan" (Mare. 9 3). En toen hij eindelijk opvoer naar den hemel, lezen we niet, dat zijn kleederen bij het opvaren van hem afvielen, maar voer hij in die, onderwijl zeker verdwijnende kleederen, in den hemel zijn zelfbesef. Zelfs reeds eer
:
der hemelen op.
Drie malen lezen wij dat Jezus zijn kleed aflegde. De eerste maal vrijwillig bij de voetwassching, toen hij zijn kleed aflegde, en in de slavengestalte bij zijn jongeren omging. Dat was slavengestalte, want een slaaf had geen eer, en ging daarom blootshoofds en naakt aan het bovenlijf. De eerbaarheid, de achtbaarheid van het menschelijke heeft alleen de vrije De tweede maal wierd zijn kleed hem afgenomen doorHerodes toen zijn ruwe soldaten met Jezus den spot dreven, en koning met hem speelden in moedwilligen overmoed en godlasterlijke bal3
dadigheid.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Abraham Kuyper Collection | 208 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Abraham Kuyper Collection | 208 Pagina's