In Jezus ontslapen - pagina 181
,,
171
zyn, zal gebeuren, hield onze drukke eeuw zich niet op. Voorzoover er ontwikkeling in het denken onzer eeuw over wat op het sterven volgt, plaats greep, won twijfelzucht eerst, toen ongeloof en steeds beslister ontkenning veld. In breede kringen van geleerden heet het thans uitgemaakt, dat sterven niets anders is dan terugzinken in het niet waaruit men opkwam. En wat aangaat die breede schare van brave goede burgers die van al wat naar „ de fijnen " riekt gruwen maar het toch ook schrikkelijk zouden vinden, als men geen „God en onsterfelijkheid" meer had, en die daarom, als er een lijk in huis staat, in huis en voorts op het kerkhof, nog altoos graag van „God" hooren, bij hen kon geen verheldering van denkbeelden, bij hen kon geen ontwikkeling ten deze plaats grijpen, omdat noch het denken, noch het spreken over de eeuwige dingen tot hun levensmanier behoort. Alleen onder de belijdende Christenen kwam het in deze eeuw tot meerdere afronding van het beeld onzer voorstelling. Vooral de minnaars van een duizendjarig rijk hebben daartoe den stoot gegeven. En al drong het nog al lang niet tot alle belijders door, toch mag dankbaar erkend, dat er weer een stil besef opwaakte van veel dat eerst lang na het sterven te komen staat, niet alleen in het Oordeel, maar ook in het rijk der Heerlijkheid, dat eerst na den Oordeelsdag zou doorbreken. Zoo wordt er weer onderscheid gemaakt tusschen den toestand van wie in Jezus ontsliep, van de ure van zijn sterven af tot op Jezus' wederkomst, en tusschen dien heel anderen toestand, die staat geboren te worden als de dooden uit hun graven zullen opstaan, en het oordeel ingaat, en na dit oordeel te
,
,
—
de volle Heerlijkheid zich ontplooien zal, En daaraan nu juist was men lange jaren ontwend. Na het sterven dacht men zich de ziel in volle gelukzaligheid; en als er volle gelukzaligheid was, wat wilde men dan nog meer. Eens zal wel de wereld een einde nemen dit verstond men en dan zou er een Oordeelsdag komen, maar die Oordeelsdag gold de goddeloozen, niet de zielen die reeds gezaligd werden. En na dien Oordeelsdag zou het leven der gelukzaligheid in het Vaderhuis voor de verloste zielen juist zóó in den hemel voortgaan, als het terstond na het sterven reeds begonnen was, Al wat de Schrift dan ook openbaart over de Wederkomst van Jezus, over de Opstanding der dooden, over den Oordeelsdag en wat daarna komt, had zijn vat op het hart verloren. Dit alles zou wel zoo plaats grijpen, maar het zou voor wie in Jezus ontslapen was, geen beteekenis hebben. Voor hem toch zou het eeuwiglijk blijven het volzalig ziele,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Abraham Kuyper Collection | 236 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Abraham Kuyper Collection | 236 Pagina's