In Jezus ontslapen - pagina 199
189
Dit echter weerspreekt zich
zelf.
Vraagt men toch diezelfde geleerden, wat Jezus' hooge voortreffelijkheid was, dan antwoorden ze: Zijn zuivere Godskennis. Zelfs op Jezus' zedespreuken hebben ze aanmerkingen. Maar dit ééne laten ze dan nog aan den Heiland, dat zijns een gemeenschap met God, zóó vroom, zoo innig en zoo teeder was, dat hij op dit punt openbaring en richtsnoer blijft. En zie, terwijl nu voor dienzelfden Jezus, wiens kennisse van God volgens hun eigen toegeven de volkomenste was de voorstellingen van een eeuwige rampzaligheid met zijn Godsidee en met de liefde Gods volkomen rijmden houden zij staande dat dit niet kan, dat het ondenkbaar, dat dit niet te rijmen en de ongerijmdheid zelve is. De één maakt er dan van, dat na den dood de hier aangevangen ontwikkeling voortgaat; een tweede, dat er ook na den dood nog gelegenheid tot bekeering is; een derde, dat na den dood bitter leed, voor zekere periode, juist middel zal zijn om wie Goddeloos stierf met God te verzoenen; en een vierde, dat er wel zijn die nooit terecht komen, maar dat dezen dan vernietigd worden, zoo dat ze niet meer bestaan; wat men dan noemt: de voorwaardelijke onsterfelijkheid. Onsterfelijkheid alleen voor wie hier of hiernamaals zich bekeert, maar vernietiging en ophouden te bestaan voor wie zich gewetenloos, ,
,
hier en hiernamaals
,
tegen
God
blyft verharden.
of we hier niets voor gevoelen? Of we niet wilden, dat het zoo was? Of ook ons de voorstelling van een eeuwige rampzaligheid niet ijzen doet van ontzetting? En of het ook ons niet moeite kost, om die nooit eindigende tegenstelling van duizenden en nogmaals duizenden rampzaligen met Gods grenzenlooze ontferming te rijmen? dan spreken we op alle deze vragen een volmondig ja uit. Liefst klemmen we ons dan ook vast aan wat Calvijn van den moordenaar, die vorstenbloed in Frankrijk vergoot schreef, dat wij nooit weten, wat God nog in den jongsten snik doet
Vraagt men,
om wat
liefs
—
,
aan hen, die ons toeschijnen verre van God te sterven. Maar verder kunnen en mogen wij niet gaan. Jezus alleen had hier het volle recht van spreken. Wij weten er uit onszelven niets van. Ons in te beelden, dat wij hoogden reiner denkbeelden omtrent God en zijn liefde zouden koesteren dan Jezus vermeten we ons niet. En evenmin matigen we ons het recht aan, uitspraken als „dat God eens alles en in allen zal zijn", in regelrechte tegenspraak met wat de heilige Apostel bestendiglijk getuigt, op ieder mensch, en niet enkel ,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Abraham Kuyper Collection | 236 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Abraham Kuyper Collection | 236 Pagina's