Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Zijn uitgang te Jerusalem - pagina 84

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Zijn uitgang te Jerusalem - pagina 84

2 minuten leestijd

vermoedde, mysterie

sprak

zoo

uit,

waarvan

ook Pilatus in hij

dit:

de mensch, een

Zie,

zelf niets giste.

Maar ook de Kerk van Christus heeft dat Zie, de mensch, dat Ecce, homo, beluisterd, en zij heeft in het geloof dat mysterie gegrepen. Wat de wereld mist, wat de wereld in al haar geestelijke worstelingen zoekt, is juist de mensch. Niet den ontzonken mensch, dien ieder in zijn eigen hart vindt, noch den ontvallen mensch dien we telkens in elkander ontmoeten. Neen, maar den mensch, die :

ons met ons mensch zijn weer verzoenen kan. De mensch, om meê dwepen. Een mensch, om ons tot ideaal te wezen. Een mensch, die ons opheft uit onze vernedering, en die ons weer hergeeft wat we in ons zelven als mensch altoos missen. En op dat zoekend vragen heeft de Kerk van Christus het antwoord in het Ecce, homo, het antwoord in het Zie, de mensch, te

:

:

verstaan.

Die eenig ware mensch, dat

is

haar de Christus geworden.

En

in dit mysterie verandert voor haar zielsoog het spotgewaad in heerlijke werkelijkheid.

Die mensch, spot- vorst,

omdat maar onzer

hij

mensch was, Heere en Koning.

alleen waarlijk

aller

is

niet een

XIX. „fënii£ gein, ïmii£ gein!" Als

hem dan

zagen, riepen

hem!

Aan uw doodelijke

Jezus

is,

sinarte,

de overpriesters en de dienaars zeggende: Kruis hem, kruis

zij,

Joh. 19

:

6a.

toen het naar Grolgotha ging, te midden zijner zelfs

de

eerbied voor zijn smart, die elk lijder

toekomt, op zoo harde wijze misgund. Vanouds placht men, als in Jezus eerst recht vervuld, ook aan den Man van smarte den uitroep van Jeremia in zijn Klaaglied op de lippen te leggen „o, Gij, die op den tueg voorbijgaat, aanscnoutu en zie, of er eene smart is gelijk mijne smart.''' Dat is de bede, om eerbied voor het leed, die uit het gefolterd gemoed van den lijder naar menschen uitgaat. Wie lijdt, heeft drang in de ziel, om van anderer gemoed te vragen, dat er iets van zijn lijden in natrille. Vooral in het lijden ontwaakt de behoefte aan anderer medeleven. Een medeleven dat nog niet wezenlijke liefde hoeft te zijn, maar een meespreken van het menschelijk gevoel, en dat we daarom van al wie mensch is, ook al is hij ons volslagen vreemd, verwachten. :

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912

Abraham Kuyper Collection | 208 Pagina's

Zijn uitgang te Jerusalem - pagina 84

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912

Abraham Kuyper Collection | 208 Pagina's