Zijn uitgang te Jerusalem - pagina 142
130
XXXIV. „Mijn eensamc.'
1
Red mijne ziel van het zwaard, mijne eenzame 21. Ps. 22 van het geweld des honds. :
Meer nog dan in de Evangeliën heeft Messias ons het nauwende van zijn lijden in Psalm en Profetie betuigd.
zielbe-
Psalmist giste, de Profeet ried niet maar. de G-eest zelf klaagde en kermde uit het voorgevoel en de voorkennisse van het onafwendbare lijden, dat niet slechts komende was, maar ten deele reeds benauwde. Of, laast ge het in Jesaia 65 nooit, hoe het reeds voor de vleeschwording gold: „In al hun benauwdheden was Hij benauwd"? en hoordet ge nooit, hoe de heilige apostel Petrus het aan de kerk toeroept „De G-eest van Christus zelf was het die beduidde en te voren betuigde het lijden, dat op Christus komen zou !" ? Bij ons is het zoo dikwijls een schrijnen der wonde in ons hart door het na-weenen in onze ziel van, o, zoo pijnlijke herinneringen. Maar bij den Immanuél een stellige voorwetenschap; een vast vooruit weten tot in de allerkleinste bijzonderheden een vooruit zien een vooruit doorleven van wat komende was en niet minder een inmiddels benauwd zijn met de benauwdheden van zijn volk op aarde, zijn Israël, dat nu reeds, als „knecht des Heeren" de donkere schaduw van zijn lijden droeg, en, zij het ook op grooten afstand, de gestalte van zijn lijden vertoonde. Vandaar dat de nog oppervlakkige ziel staan blijft bij wat de MJangelisten van het lijden des Heeren hebben waargenomen maar dat de diepere ziel naar Jezus zelf luistert als hij in Profetie en Psalm zelf de diepe klaagtonen opstoot uit zijn felbewogen gemoed. o, De Evangelisten zeggen u wel, dat Jezus op het kruis gekermd heeft: „Mi, Eli, Lama Sabachtani" maar eerst de Psalmodie in Psalm 22 doet u de wereld van ontzettendheden, die achter deze
De
Neen,
:
;
;
;
;
;
z
diepe klaagtonen schuilt, verstaan. Zoo vangt ge ook wel uit G-ethsémané, naar wat de Evangelisten u verhalen, een smeekenden toon op, waarin de Heere Jezus aan zijn onuitsprekelijk gevoel van diepe verlatenheid lucht gaf, als liet „Kunt ge niet één uur met mij waken, mijne ziel tot Petrus heet maar toch den sleutel geheel bedroefd tot den dood toe!", is tot het lijdens-mysterie van dit diepe heimwee geeft u ook hier weer niet de Evangelist, maar de Psalm. Hoor maar! In dien Psalm klaagt Jezus uit nog veel dieper diepte der ziel, en noemt zijn ziel zelve „mijn eenzame", de gan:
schelijk „verlatene" daarbinnen.
—
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Abraham Kuyper Collection | 208 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Abraham Kuyper Collection | 208 Pagina's