In Jezus ontslapen - pagina 201
, ,
,
191 zijn niet om geborgen te zyn voor onszelven maar eeuwiglijk verzadigd te worden met Gods beeld. (Ps. 17 15). Maar dit zielsverlangen boe boog ook opkomend in wie overgezet is uit den dood in het leven, beeft nog geen vat op den zondaar. En daarom tot zondaren komt Jezus om hen te redden van het verderf. „ Alzoo lief heeft God de wereld gehad dat Hij zijn eeniggeboren Zoon gegeven heeft opdat een iegelijk die in hem gelooft, niet verderve, maai' het eeuwige leven hebbe" En dit is de uitwerking, die de zekerheid van een eeuwige
geeren moet
,
,
om
:
,
,
rampzaligheid nog moet hebben. Ze moet vader en moeder dringen, om het kind hunner liefde, door verzuim van Christelijke opvoeding niet ten prooi te laten aan het eeuwig verderf. Ze moet de geloovigen van allerlei stand, rang en leeftijd dringen om vrienden en vriendinnen tot wier hart ze toegang hebben, niet te laten wegsterven buiten Jezus. Ze moet de kerk van Christus dringen om door prediking èn door zending te redden van het verderf èn te manen tot bekeering. Diezelfde liefde Gods die Hem zijn Zoon deed zenden, opdat de zondaar niet zou verderven, maar ten eeuwige leven komen, moet ook ons prikkelen, bezielen, aandrijven. De liefde Christi moet ons bewegen. Of getuigt het niet op ontzettende wijze tegen de koelheid uwer liefde, als ge een kind, een broeder, een vriend uws harten, iemand die ge bereiken kunt, rustig in eeuwige rampzaligheid laat wegsterven omdat gij op Jezus' zeggen niet gelooven woudt dat er weening en knersing der tanden, dat er een vuur, dat nooit uitgebluscht wordt, is? Niets getuigt dan ook sterker tegen den ernst Van veel Christenen dan de koele onverschilligheid, waarmee ze bij het sterfbed van ongeloovige huisgenooten of familieleden of vrienden staan, ook al ontwaarden ze vóór hun sterven geen enkel teeken van geloof in Jezus Christus onzen Heere. ,
,
,
,
,
,
XLVI. „eaarbe, en be
tnerïen, bie baarin jijn, jutten öerbranben". Maar de dag des Heeren zal komen als een dief in den nacht, in welken de hemelen met een gedruisch zullen voorbijgaan, en de elementen branden zullen en vergaan en de aarde en de werken die daarin zijn, zal verbranden. 10. 2 Petrus 3 ,
:
Hoe
reusachtig groot ook de afmetingen, saam van alle land
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Abraham Kuyper Collection | 236 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Abraham Kuyper Collection | 236 Pagina's