Zijn uitgang te Jerusalem - pagina 172
160
En
dat nu is Jezus gemaakt voor u. „Zondaar" is Jezus nooit geweest. Dat kon hij niet zijn. Om zondaar te wezen zou hij de zonde in het heiligdom van zijn persoonlijk bestaan hebben moeten inlaten, en dat deed Jezus nooit en kon hij niet doen. Dan toch hadde hij opgehouden Grod te zijn, en Grod, de apostel leert het ons zoo met nadruk, kan zichzelven niet verloochenen. Maar hij die nooit zondaar
kon
zijn,
is
voor zondaren zelf tot
zonde gemaakt. Hij is met zijn ziele verzonken in dat uiterste en bangste, waarin we aflaten van eigen weerstand, en ons bij levende ziele laten verslinden door de zonde, tot er eindelijk niets dieper noch ontzettender noch gruwelijker in de helsche diepte der zonde overbleef. En dat gansche zondige wezen heeft hij niet afgestooten, maar in zich opgenomen, er zich onder gesteld, het gedragen tot er eindelijk niet één zondaar zoo diep gezonken, zoo ver afgedoold en zoo ganschelijk verloren kon zijn, of Jezus was er zeker van, dat ook diens zonde begrepen was in de zonde die hij om onzentwil droeg. En toen hij die zonde alzoo in haar uiterste diepte indrong, dat hij metterdaad vlak bij Satan uitkwam en alsnu van Grod geheel verlaten was, toen bleef hij toch aldoor juist daarin de Heilige Grods, dat hij tot op het uiterste toe enkel uit gehoorzaamheid aan den Vader en uit liefde tot zijn verkorenen zich aldus in het ontzettende wezen der zonde liet inwikkelen. Wel verre dus van ooit zondaar geweest te zijn, bleek hij juist daarin het meest de Heilige te wezen, dat hij geheel tot zonde zich maken liet. Maar juist daarom is er dan ook geen schijn, neen, niets dan volle oprechtheid in Jezus, als hij zonde gemaakt is. Hij moest die diepte der zonde in, niet om haar te genieten, maar juist om haar te vernietigen niet om aan haar deel te hebben, maar om ze als een vreemde vreeslij ke macht aan te grijpen; ja, het zou zonde in hem geworden zijn, indien hij zich niet alzoo geheellij k tot zonde had laten maken. ;
;
met aanvaarding van de schuld die op de van die schuld en van den toorne Grods die op die schuld rustte, was zijn doel. Die schuld kon niet weggenomen, tenzij hij eerst inging in de gemeenschap met de zonde, waaruit die schuld geboren was en nogGekeellijk,
zonde
rustte,
dus
ook
want
juist de opheffing
dagelijks geboren werd. De toorne Grods moest gedragen, niet tegen eenige bepaalde zonde, maar tegen de zonde zelve; tegen het zondig wezen; of liever nog tegen het onheilig onwezen, dat in ons menschelijk geslacht was in-
en doorgedrongen.
In vollen zin des woords, de toorne Gods
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Abraham Kuyper Collection | 208 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Abraham Kuyper Collection | 208 Pagina's