Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

In Jezus ontslapen - pagina 64

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

In Jezus ontslapen - pagina 64

3 minuten leestijd

54

Toch vergete men

niet, dat zóó en niet anders de bestaansvan al onze afgestorvenen is, en dat ook ons zelven geen ander lot wacht, dan om, na de afschudding van ons lichaam in het sterven, tot aan de wederopstanding der dooden, enkel

wijs

als geesten te bestaan.

Blijven we nu desniettemin schier uitsluitend aan de zichtbare verschijning van onze dooden hechten, dan is er wel een voortleven van de herinnering, maar geen meeleven met hen in het heden, en wordt dus met elk jaar dat voorbijsnelt, de afstand grooter die ons van hen afscheidt. Gevolg waarvan is, dat ge in tal van familiën, die eerst bijna hartstochtelijk zich aan de herinneringen harer lieve dooden vastklemden, na verloop van reeds enkele jaren die herinnering allengs zoo meer ziet uitslijten. En ook wat ons eigen zielsbestaan betreft, heeft het zijn bedenkelijke zijde, dat die van het lichaam afgescheiden staat ons zoo vreemd bleef. Daardoor toch blijft de gedachte aan het sterven te nevelachtig, en het inleven in onze toekomst na den dood te schaarsch en te schraal. Ongetwijfeld God de Heere heeft ons geest en stof, heeft ons en het is onnatuur zoo we die stoffelijke ziel en lichaam geschapen zijde van ons wezen niet tellen of voorbijzien willen. Maar de wortel van ons ivezen moet dan toch altoos in den geest en niet in het vleesch in de ziel en niet in het lichaam worden gezocht. En het evenwicht wordt verbroken, zoodra we zóó eenzijdig in het zichtbare beklemd geraken, dat de geest, zonder het stoffelijk kleed gedacht; ophoudt voor ons wezenlijk te zijn. Hier komt dan het geloof te stade. Dat geloof, dat „ een bewijs is der dingen, die men niet ziet." En, zal het wel zijn, dan moet het eigenlijk en wezenlijk bestaan van „onzen geest, die in ons is", ook geheel afgezien van stof, vleesch of lichaam, ons zoo klaar en helder toespreken, dat we eer het zichtbare voor gezichtsbedrog, dan den geest in ons voor schijn konden aanzien. ,

,

is niet te sterk gesproken. staat het niet vast, dat de geest al en nooit wat zienlijk is, den geest?

Dit

Of

wat

zienlijk is schiep,

Het geldt hier den diepsten grondslag van alle geloof. Het geloof dat God den hemel en de aarde schiep, en dat die God een geest is. Enkel geest. Niets dan geest in Zichzelven. En in zijn geestelijke zelfgenoegzaamheid onafhankelijk van al wat zichtbaar is bestaande. De zichtbare wereld komt bij God bij. Hij in Zichzelf is het Eeuwige Wezen het wezen aller wezenheden die aan alle ding het wezen en het leven geeft. ,

,

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912

Abraham Kuyper Collection | 236 Pagina's

In Jezus ontslapen - pagina 64

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912

Abraham Kuyper Collection | 236 Pagina's