Zijn uitgang te Jerusalem - pagina 35
23
Ook dat Maar
uit.
telde wel zeer zeker mee, en maakte er een bitter deel van toch, zoo er niet anders in dien drinkbeker ware geweest
sterven, gelijk die moordenaar aan het kruis naast hem nooit zou het lijden uws Heeren het lijden bij uitnemendheid, het inbegrip van alle lijden, het alle smart in zich besluitende en zeer verre overtreffende lijden zijn geweest. En toch dit was het. Hoor maar dat roepen in Psalm 42 „o, Mijn God, al uw golven en al uw baren gaan over mij heen!"
dan
te
stierf,
:
Dit nu is bij geen mensch zoo. Dit was ook niet zoo bij den Psalmist. Wat hij zong, zong hij van zich zei ven zeer zeker, maar verdiept in het lijden van den Messias. Het was „de geest van Jezus die in hem betuigde en te voren beduidde het lijden dat op Jezus komen zou." Twee, drie slagen van de golven des Heeren tegen ons moede hoofd zijn voor een gewoon menschenkind meestal reeds genoeg en te over, om het hoofd te doen neerzij gen, dat het zich boven geen golfslag meer verheffen kan. Maar al &ods baren en al de golven des Heeren, wat menschenkind zou er geweest zijn, dat zijn hoofd daaronder had kunnen ophouden en daartegen de borst kon hebben ingestrekt. Al de golven en al de baren des Almachtigen, het is iets zoo ontzettends, zoo onbeschrijnijks, om niet uit te spreken. Al het doen des Heeren is oneindig, en oneindig ook zijn de deiningen van zijn golven en van de baren zijns toorns. Oneindig is het altoos weer opkomen van nieuwe golven, en oneindig is de eindelooze golfslag waarmee ze in alle breedte en lengte worden uitgeslagen.
Er kookt en brandt in die schuimende baren een gloed, een ijzingwekkende gloed van eeuwige verbolgenheden. Ge merkt er den aanvang niet van en ge kunt er geen perk of einde van ontdekken. Aan de zee, die haar golven op onze stranden doet dreunen, heeft de Heere Heere nog een maat gesteld, die ze niet zal overschrijden. Maar deze oceaan kent zelfs zulk een perk niet. Zijn diepten ruischen tot in de kolken van den eeuwigen dood. Wat er dan van tegen het hoofd opspat, zijn de schuimvlokken en droppelen. Maar de slag, de dreunende slag dier baren, en het alles wegsleurend en voor zich uit stuwend geweld dier golven, neen. bij al wat heilig is, dat heeft nooit een eenig menschenkind doorstaan. Wamt dat te doorstaan, dat was nu juist de diepte van Jezus' lijden. Dat eindeloos diepe en oneindige breede in zijn verkwijning, dat was nu juist de ondoorgrondelijke verborgenheid van de smarten, die den Man van smarten overkomen zijn. Hij zonk tusschen de afgronden weg. Bij het zinken in dien afgrond hoorde hij reeds van verre het ruischen en dreunen van
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Abraham Kuyper Collection | 208 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Abraham Kuyper Collection | 208 Pagina's