In Jezus ontslapen - pagina 176
,
166
Er
is ook een denken aan onze dooden, dat nog iets anders dan hen niet te vergeten. Het niet vergeten slaat op hun vroeger leven hier; het is een telkens hen opnieuw missen in ons aardsche leven. Een indenken hoe het zijn zou, als ze er nog waren. Maar denhen aan onze dooden, wil zeggen: meeleven in den toestand waarin zij nu zijn. Hen niet meer als personen die er eens waren, maar als gezaligden, gelijk ze nu leven, daarboven, bij den Heiland. Niet om verschijningen uit te lokken, of zich gezichten in te beelden. Het gemeenschapsleven in dien zin is na den dood niet voort te zetten. Maar wel kunnen we met hen bezig zijn, hen ons in hun gezaligden toestand voorstellen. Genieten in de vreugde die ze smaken. Zich klein gevoelen bij de hooge positie waartoe zij zijn opgeklommen. En zoo niet den rouw onderdrukken, maar, om hunnentwil, uit den rouw opleven in de vreugde van hun heil. Niet dat we voor hen bidden mogen. Er is niet meer voor hen te bidden. Ze hebben alles. Toch voor hen te bidden zou zijn, als ontbrak hun nog iets, dat meê door ons gebed hun moest toekomen. is
,
Maar
heel
iets
anders
is
het,
dat ze toch leven
mogen en
moeten in onze gebeden. Uw gebed is niet enkel een vragen en afsmeeken. Het is ook een verheffing van de ziel in aanbidding. Een opheffen van het hart naar boven, uit de nevelen van dit sombere leven tot den zonneglans van Gods zaligen hemel. Zoo als de Schrift het noemt het is ook een hebben van „ wandelingen onder degenen die bij
God
zijn."
In ons gebed zien we niet op naar een ledigen hemel: maar naar een hemel met al de duizenden van Gods engelen, naar een hemel met de Serafijnen en Cherubijnen, naar een hemel met de vergadering der volmaakt rechtvaardigen, naar het Sion dat boven bij God is, waar God verschijnt blinkende in zijn schoonheid. En daar vindt onze geheiligde voorstelling dan ook hen terug, die eens met ons hier den Heere dienden, en nu in Jezus ontslapen zijn. Zoo gedenken we hen voor den Troon der heerlijkheid. Zoo komt hun beeld ons voor en in ons op, als ons zielsoog zich verliest in de geestelyke aanschouwing van den hemel der
hemelen. Daarin nu ziel
;
is
de voortzetting van het gemeenschapsleven der al het aardsche
maar dan van een gemeenschapsleven waar ,
uit wegviel.
Een gemeenschapsleven
dat zyn heilige gewaarwordingen voor
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Abraham Kuyper Collection | 236 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Abraham Kuyper Collection | 236 Pagina's