In Jezus ontslapen - pagina 166
,
156
herkenning en geen
terugvinden
zal. Dat staat nergens. niet uit vergissing of ver-
zijn
Maar een opmerkelijk zwijgen, dat
geten mag verklaard worden, en u stellig vermaant, om, bij ons denken aan de overzij van het graf. onze ontslapenen die we liefhadden, naar de tweede plaats te verschuiven, en voorop te plaatsen, wat in de Schrift steeds op den voorgrond staat: uw band, niet aan wie ontsliep, maar uw band aan Jezus. Denk maar aan dien man wiens vader nog boven aarde stond en die eerst zijn vader wilde begraven, en die van Jezus ten bescheid kreeg: „Laat de dooden hun dooden begraven, gij, verkondig het koninkrijk Gods." Niet slechts hier, maar tot over het graf, geldt het: .Wie vader of moeder liefheeft boven mij is mijns niet waardig." ,
,
Trekt deswege voor den Heiligen apostel alle voorstelling van hemelvreugde zich saam in dit: „en alzoo zullen wij altijd met den Heere wezen 11 toch mag ook dit zijn met Jezus niet te ,
—
worden opgevat. Het zal niet wezen een
zinlijk
zich
groepsgewijze
om
Jezus ver-
zamelen gelijk de vijfduizend aan den oever van het Galileesche meer, noch ook een intiem samenzijn gelijk dat van de jongeren ,
in Jeruzalenrs opperzaal.
Dat „ altijd met Jezus zijn " wordt uitgesproken van alle gezaligden: en hoe zou dan de schare van de millioenen en millioenen uitverkorenen een schare die niemand tellen kan niet een enkel uur maar altijd d. i. van eeuwigheid tot eeuwigheid op zulk een wijze met Jezus wezen? Neen, de ontelbaarheid der menigte, en de eindeloosheid van het samenzijn, sluiten dat uit. Al ontkennen we deswege nu de persoonlijke betrekking niet want er staat uitdrukkelijk: „met Jezus zijn", en ook -dat we Hem zien zullen gelijk hij is". toch lijdt het wel geen twijfel, dat we hier terug hebben te gaan op de organische betrekking tusschen Jezus en die hem toebehooren, op het ingelijfd zijn in zijn mystiek lichaam, op het ééne plant zijn met hem in den wortel des levens. Daarvan is de Schrift metterdaad vol. Hij de Wijnstok en wij de ranken. Hij het Hoofd en wij de leden van zijn lichaam. Hij de goede Herder en wij de schapen zijner weide. Hij de Bruidegom, en heel zijn gemeente saam de Bruid. De geest der Omlxinaing, die in hem triomfeerde, heel het lichaam zijner geloovigen doortrekkende. Hij onsu Koning en wij zijn volk. Hij onze Hoogepriester en wij de stammen die naar het heilig Sion optrekken. Hij onze hemelsche Veldheer en wij de krijgsknechten die onder zijn heilige banier ons ver,
,
,
,
—
—
,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Abraham Kuyper Collection | 236 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Abraham Kuyper Collection | 236 Pagina's