In Jezus ontslapen - pagina 139
"
129
bedoelde roeping Gods strekt veel verder. Hij uw God, is in de heerlijkheid, gij zijt op aarde, en nu roept uw God u uit deze wereld naar zijn wereld, uit uw ingezonkenheid naar zijn glorie, uit „deze eeuw" met haar ellende naar de „toekomende eeuw" met haar rijkdom en heerlijkheid. Aan die roeping is alzoo een vooruitzicht verbonden. Het vooruitzicht van een volkomen gelukstaat. En op het verkrijgen en verwerven van dien gelukstaat geeft die roeping van uw God u hoop. Niet een onzekere hoop, die misschien wel en misschien niet vervuld wordt, maar een vaste, ontwijfelbare, zekere hoop, die de volkomen vervulling waarborgt. „ De hoop zijner roeping beteekent alzoo: de volkomen, onwankelbare zekerheid van den gelukstaat, die u wacht. Toch is die gelukstaat hier nog niet uw deel. Voorsmaak moogt ge ervan genieten, maar het heil, dat komt, is nog als een erfenis, die u wel gewisselijk wacht, maar toch nog gelijk een erfenis is, in wier bezit ge eerst later komen zult. Reeds hier op aarde echter is het heel iets anders of u alleen wordt meegedeeld, dat u een erfenis is toebedeeld, dan wel ofu daarbij tevens wordt meegedeeld, hoe groot die erfenis is, en ,
,
waarin ze bestaat. Eerst die laatste kennis maakt u, zoo het een rijke erfenis is, reeds rijk voor uw besef. Zoo dan wil de apostel dat gij als kind van God, niet alleen weten zult, dat ge erfgenaam zijt, en dat ge de erfenis eens zeker verkrijgen zult, maar ook waarin die erfenis bestaat. En daarom wil hij, dat ge ook weten zult: „Welke zij de rijkdom der heerlijkheid van die erfenis," hoe overweldigend groot en alle verwachting te bovengaande ze is, opdat de kennisse van dien rijkdom der u toekomende erfenis, u hier reeds zalig in hope zou maken voor uw gevoel. En van deze vreugde der hope en van dit vooruit reeds rijk dat ze zijn in de kennisse der erfenisse die komt zegt hij nu leven moet, en alleen leven kan „in de heiligen". Alleen voor hen toch is die erfenis. Alleen zij ontvangen er de aanzegging van. Alleen in hen kan de rechte voorstelling ervan opkomen. Maar dan ook in hen, in al Gods heiligen, moet die hoop, die voorsmaak leven. Wie als kind van God die hope, dien voorsmaak niet kent, leeft beneden zijn stand als kind van God; onderschat het werk van Gods genade; en bezondigt zich tegen de ontfermingen en de liefde Gods, die hem dit alles uit
nu
,
,
,
7
loutere genade heeft toebedacht.
,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Abraham Kuyper Collection | 236 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Abraham Kuyper Collection | 236 Pagina's