Zijn uitgang te Jerusalem - pagina 161
149 menschelijk leven. In dat bloed raakt ziel en lichaam aan elkander. Want in het bloed, zoo had God het reeds aan Israël verklaard, in het bloed is de ziel. Op het bloed kwam het daarom ook in de verzoening aan. Dit zaagt ge reeds typisch bij de offeranden die in Israël voor de zonde wierden geslacht. Want zeker ook het lichaam dezer dieren wierd verbroken, maar toch niet als doel, immers het doel was steeds dat het Moed zou vergoten worden en zou gesprengd worden op het heilige. En zoo ook ziet ge het bij het Lam Grods. Ook toch van dat Lam Grods leest ge telkens, dat aan zijn dood ons leven hangt, maar schier altoos is het zijn bloed dat voor u vergoten wordt, waarop zijn heilige apostelen u wijzen. Ook bij hem was er wel verbreking van het lichaam, maar slechts als middel om tot de vergieting van zijn bloed te komen, en in de vergieting van dat heilig bloed is uw verzoening. En hoe kon dat anders ? Waar wij menschen ons leven verzondigd hadden, en dat leven uit ons bloed was opgewoeld en in dat bloed voortzondigde, hoe kon daar onze Middelaar voor ons vergeving te weeg brengen, dan door alsnu van ons bloed te nemen, dit van ons genomen bloed tot voertuig van zijn eigen leven te maken, en dit zijn leven in ons schuldig bloed te vergieten op het altaar van den Heilige
omdat in de vergieting van zijn bloed onze verzoening kon het dan ook niet de honger zijn, die hem kwelde, maar moest hij in zijn sterven op Grolgotha gekweld worden door onlij delij ken dorst. Niet toch in den honger, maar in den dorst speelt het geestelijk Juist
school,
lijden door het lichamelijk lijden heen. Jezus zelf toont ons dat in de gelijkenis
den
en
armen Lazarus, waarin
hij
van den rijken man
ons dien rijken
man
schetst
oogen opendoende in de hel. En zie, wat hem nu in de helsche pijn verteert en kwelt, is niet de honger maar de dorst. Hij vergaat van dorstpijn, en zou een wereld geven voor een druppel koud water om het uiterste van zijn tong te ver-
als
zijn
koelen. Alle helsche pijn wordt ons als valsche branding en onheilige gloed geteekend, een onuitblusschelij k vuur, dat om water roept,
maar door geen stroom van water
te blusschen tegenover die natuurlijke dorstsmart zaligheid des eeuwigen levens wordt geteekend, op den voorgrond, dat er in die zaligheid geen Toen de nieuwe hemel en de nieuwe aarde
En
als
is.
van de hel ons de dan staat dit altoos dorst meer zal zijn. voor den heiligen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Abraham Kuyper Collection | 208 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Abraham Kuyper Collection | 208 Pagina's