In Jezus ontslapen - pagina 35
,,
25
aan den liefdeband van het huwelijk, of aan den band tnsschen kind en moeder, of tnsschen broeders en zusters, maar dat hun onderlinge band en betrekking zich uitsluitend regelt naar den dienst dien ze in de heirschare Gods vervullen. zoodat hun Ze hebben geen eigen onderling * familieleven religie, hun dienst van God, bij dit onderlinge leven bijkomt, maar dit dienen van God dit zijn van „ knechten des Allerhoogsten," is al hun leven, en geen ander saamleven dan in dien dienst des Heeren is voor de engelen denkbaar. Zegt nu Jezus ons, dat, én na het sterven, én na de opstanding der dooden, de saamleving der geloovigen niet meer het karakter zal dragen, dat het hier bezat en bezitten moest, maar dat het een saamleven als van Gods heilige engelen zal dan valt hieruit niet anders te besluiten dan dat de zijn aardsche betrekkingen wegvallen, en dat alleen de zielsinnige betrekking tot Christus en in den dienst van God, eeuwiglijk ook ons onderling samenzijn zal bepalen. Wie dus bij het overdenken van zijn eigen sterven, in de eerste plaats zich voorstelt dat zijn zaligheid hierin zal bestaan dat hij zijn huiselijken kring en zijn vriendengroep, waarin hij hier eens zoo rijk genoot, daar zal terugvinden, om op de oude manier mits dan nu geheel geheiligd het vroegere leven weer aan te knoopen en voort te zetten wordt door de stellige uitspraak van Jezus hiertoe niet aangemoedigd maar er beslist van afgemaand. Voor zoover ge met uw afgestorvenen een band in Christus hadt in zooverre blijft die band eeuwiglijk. Al het overige valt wanneer ge zelf gelijk een engel Gods in den hemel zijn zult, weg. ,
,
%
,
,
,
,
,
,
,
,
,
Zelfs
bij
het
graf
mag
het
schepsel
zich
nooit
vóór
den
Eeuwige dringen, en waar ons sentiment ér in weemoed toe neigt, om hiertoe verlokt te worden, hebben we die gevoelsbeweging te weerstaan.
De poging, om als het graf gesloten is, ons zeker voortgezet gemeenschapsleven met onze lieve dooden in te beelden, leidt dan ook stellig van den godvruchtigen weg af. Dat pogen is heerlijk, als het een leven uit de herinnering is, maar het raakt het spoor bijster, als we aan onze afgestorvenen denken, als op ons neerziende en ontwarende al wat we doen en wat ons wedervaart. Dat ook voor hen die van ons gingen de herinnering nawerkt, mag aangenomen worden. Anders zou herkenning ondenkbaar wezen. Maar van wat na hun dood op aarde geschiedt, dragen ze geen kennis. „Abraham weet van ons niet, en Israël kent ons. niet, maar Gij, o, Heere, zijt onze Vader." Zelfs de gedachte, dat het neerzien op ons van onze dooden
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Abraham Kuyper Collection | 236 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Abraham Kuyper Collection | 236 Pagina's