In Jezus ontslapen - pagina 160
150
XXXVI.
„n
al^oo gullen
attijb
ttnj
met ben
£)eere
toefen".
Want
indien wij gelooven dat Jezus gestoren opgestaan, alzoo zal ook God degenen die ontslapen zijn in Jezus weder brengen met hem. 1 Thess. 4 14.
ven
is
,
:
Wat
denken aan het vaderland daarboven telkens stellige zekerheid, dat Jezus ook aan de overzij van het graf, en tot den einde toe, ja, tot in alle eeuwigheid, zulk een geheel eenige beteekenis behouden zal voor wie der zaligheid deelachtig zijn geworden. Op zichzelf zou het ons natuurlijker zijn voorgekomen, indien Jezus wel het werk der verzoening op aarde volbracht had, en daarna nog door zijn wederkomst het Rijk der Heerlijkheid inleidde, maar dat van die ure af dan ook, het werk der wederoprichting nu voltooid zijnde, Jezus een zoo centrale beteekenis weer
bij
treft,
het is
de
voor ons hart verloor. Zelfs geeft 1 Cor. XY 24—28, op zich-zelf gelezen, den indruk alsof aldus ook de strekking der openbaring was. Als we daar toch lezen, dat Christus, als het einde er zal wezen, het „Koninkrijk aan God en den Vader zal overgeven, om alsdan zelf Gode onderworpen te worden, opdat God zij alles en in allen ", heeft het dan niet al den schijn alsof de Christus dan als Middelaar verdwijnt, om geen ander dan een rechtstreeksch verband met God zelf als de overvloeiende bron onzer zaligheid over te laten. Hij als Middelaar zou dan een Verlossingswerk in twee groote stukken volbracht hebben. Eerst het Verlossingswerk op aarde, door zijn eerste komst tot Bethlehem. Daarna de oprichting van het Koninkrijk, door zijn tweede komst op de wolken. Maar dan zou de Middelaarstaak ook volbracht de scheiding tusschen God en mensch geheel te niet gedaan zijn, en alzoo de oorspronkelijke toestand als in het Paradijs (nog verhoogd in heiligheid) terugkeeren; een toestand, waarin de gemeenschap van den mensch met zijn God nog ongestoord was, en waarbij zich geen tusschenkomst van een Middelaar, van een Verlosser, van een Heiland liet denken. :
,
,
En toch blijkt dit niet aldus te zullen zijn. Op Pathmos zag Johannes het nieuwe Jeruzalem
uit
den hemel
nederdalen. Dat was het Rijk der heerlijkheid. En toch, ook van dat nieuwe Jeruzalem in zijn voleinding zegt hij „DeHeere, de almachtige God is haar tempel en het Lam en dat nieuwe :
,
,
,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Abraham Kuyper Collection | 236 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Abraham Kuyper Collection | 236 Pagina's