Zijn uitgang te Jerusalem - pagina 67
van hart juist toespreekt. Ja, zelfs vindt ge mannen die al grijze haren hebben, en vrouwen die reeds op keur dagen kwamen, en die toch met dat klagen over „benauwdheden der ziel", den spot
nog drijven. Soms zelfs gaat de stekeblindheid zoover, dat zelfs vrome Christenmenschen in die benauwdheden van eens mensclien hart niets dan zwartgallige overdrijving zien. Dat heet dan aan iemands temperament te liggen. Aan zwaarmoedigheid van gestel. Aan een te donkeren blik waarmee men de dingen aanziet. En dat gespot en geglimlach duurt dan, totdat er uit den hoek weer eens een man te voorschijn komt, wien de ernst om de lippen spreekt, de bangheid van ziel in het oog staat, en die het dezen oppervlakkigen lieden zeggen durft: „Ja, ik, ik, ben de man die benauwdheden gezien heb!" En zoo staan er telkens in tal van kringen op. Dat komt dan wel niet in de bladen, maar het gebeurt dan toch, en God schrijft het in zijn Boek daarboven, en de engelen merken er op, en de „Verlosser uit benauwdheden" (Jerem. IJ 8) ziet er op neer met al de ontferming van zijn vertroostend aan:
gezicht.
En of de wereld het wil of niet wil, en de oppervlakkige Christenen het gelooven of niet gelooven, die kreet van dien benauwde grijpt de zielen aan en doet op wie het aanhoort, een ongelooflijke werking, o, Machtiger dan eenig ander instrument is juist die benauwing „van wie in den kuil ligt" een insnijding in de valsche gerustheid van slapende zielen Angst heeft in zijn werking op ons zoo iets onuitsprekelijk roerends.
Er Maar
zijn
juist
den zielsangst weeën als van een barende vrouw. daarom wordt er uit dien angst dan ook geboren, komt
in
er kracht uit, draagt die angst vrucht. Benauwd zijn in de ziel, dat is arbeid hebben voor het koninkrijk der hemelen; dat is in de srnarte zijn over een hooger leven; dat is in één oogenblik duizend dooden sterven, om uit dien dood leven te doen spruiten; tenzij, en dit is het ijslijkst, tenzij die angst niet dan uit de hel en tot de hel mocht wezen, opgeweld uit
voor
uw uw
eigen
boosheid
en
u persend
tot
nog goddeloozer
staat
God.
Maar dat er nu buiten gesloten, en alleen gelet op de benauwing, die God de Heere om onze ziel strikt, om ons te persen, tot Ave het moeten opgeven, dan ja, is er in de „benauwdheid" een gansch goddelijke aangrijping. Want dan is dat nijpen van Gods hand om uw ziel evenzoo, als wanneer gij een lederen zak eerst geheel leeg en alle lucht er uit nijpt, opdat ze. straks door u losgelaten, nu den wijn vanzelf in zou zuigen tot vol wordeus toe. Die gansch ondraaglijke benauwing is dan niets anders dan dat
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Abraham Kuyper Collection | 208 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Abraham Kuyper Collection | 208 Pagina's