In Jezus ontslapen - pagina 77
,
67 leefde niet het soort menschen, waartoe wij, Nederlanders, behooren. In het oosten heeft de mensch een ander zielsbestaan. Dat hangt af van luchtstreek, omgeving, aanleg, afstamming en volksverleden; en alle deze gegevens saam brachten teweeg, dat in het oosten het koele flegma veel miuder, het lichtbewogen gevoel veel sterker heerschappij voerde, en dat deswege hun gemoedsbewegingen veel heftiger waren. De Joden die onder ons wonen zijn natuurlijk voor geen klein deel westersch verstijfd. Maar toch ook al zijn ze lang niet meer wat ze eens in het oosten waren toch is er nog gelegenheid genoeg om waar te nemen, hoeveel radder vaak hun tong slaat, hoeveel beweeglijker hun gebaren, hoeveel sterker de vertrekkingen van hun gelaat zijn, en hoeveel heftiger hun gemoed kan opbruisen. Bij het lezen der Heilige Schrift dient hier op gelet. Anders ziet ons oog de juiste evenredigheden niet meer. En nemen we dan toch zoo menige „hartstochtelijke uitdrukking," onvertolkt op onze lippen, dan past onze taal niet op ons gemoedsleven, en struikelt de waarheid op de paden onzer vroomheid. Denk slechts aan de uitdrukking: Ik ben doodbralcende en vraag u af wat gekunstelde inbeeldingen daaruit al getrokken zijn. Dit nu geldt in het algemeen ook van het weenen. Zielsuitingen als daar zijn „ Ik doornat mijne bedstede met mijne ," tranen ". „ Ik doe mijn bed den ganschen nacht zwemmen toepasselijk. Och niet zijn op lieden onzes volks eenvoudig „ dat mijn hoofd water ware, om te beweenen de breuke mijns volks", is sterker in zijn uitdrukking dan dit bij ons vanzelf zou opkomen. Dat er „met tranen gezaaid wordt" is in dien letterlijken zin onder ons nauwlijks denkbaar. „ Het altaar des Heeren te bedekken met zijn tranen," verraadt een ons meest vreemden hartstocht in het heilige. In het Oosten en bij Israël daarentegen kwam dit alles letterlijk zoo voor, en de waarheid der Schrift spreekt ook daarin, dat ze geen gezwollen beeldspraak bezigt maar ons door teekening van feller gemoedsbewegingen dan waaraan wij gewoon zijn, de innerlijke bewerktuiging van ons menschelijk gemoed ontdekt. ,
,
,
,
,
,
:
,
Te lachen, niet met den dwazen, niet te stuiten lach van den waanzinnige, maar met den lach der on zondige en der heilige vreugde, behoort tot onze natuur. Dat ziet ge daaraan, dat er in den hemel ook van God zelven geschreven staat „ Die woont zal lachen". Maar het iveenen is een gemoedsuiting, die alleen in een wereld van zonde verklaarbaar is. Van Jezus staat geschreven, dat hij te midden van onze ellende verkeerende, geweend heeft. Van God staat het er nooit. :
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Abraham Kuyper Collection | 236 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Abraham Kuyper Collection | 236 Pagina's