Zijn uitgang te Jerusalem - pagina 54
42
nu van dat eere krenkende kleeft ook aan den eed. Drang tot het afvorderen van een eed komt eerst dan aan de
Iets
orde, als het gevaar van op onwaarheid te stuiten, moet afgewend. Op de nieuwe aarde, onder de volmaakt rechtvaardigen, laat zich de mogelijkheid zelfs dat er van een eed sprake zou zijn, niet meer denken. Een eed kan alleen noodzakelijk zijn onder zondaren, om der zonde wil, in kringen waar het gif der leugen insloop.
De
tegen het gevaar dat van den leugengeest voor waaren goede trouw dreigt, middel van verweer. Vandaar het volkomen rechtmatig en natuurlijk gebruik van den eed in de vierschaar, die in den name Grods het recht bedient, want voor Grods oog staan wij, zondaren, in onze onwaarheid. Maar vandaar ook dat men in kringen van hooger levenstoon, elkander niet dan in het uiterste der noodzakelijkheid op een eed vraagt, of ook een eed presenteert. Dat geschiedt onder de heffe des volks, waar alle waarheid veil is. Het is de verleugende mensch, die telkens den mond vol heeft van er een eed op te willen doen en het is onder dat lage ruwe slag menschen dat men elkander telkens allerlei eeden afvergt. Eeden dan, helaas, keer op keer, niet op waarheid, maar juist op leugen en bedrog afgelegd. Zoo schept de eed den meineed, een bijna satanische verharding tegen de waarheid. En dan moet de strafrechter tusschenbeide treden, om den onverlaat, die zelfs den heiligen eed dorst verzondigen, te straffen met menschelijke straf. eed
is
heid, onschuld
;
Eerst in dat wezen der waarheid, in dat booze karakter van de van den eed, en in dat satanische wezen van den meineed, moet ge u helder indenken, wilt ge het verstaan, wat het voor uw Jezus geweest is, toen Cajaphas hem in tegenwoordigheid van heel het Sanhedrin toe dorst roepen lengen, in die ontzettende beteekenis
„Ik bezweer u bij den levenden Grod." Jezus op een eed gevergd! Niet op den getuigeneed om anderer zijn eigen woord en wezen.
wil,
maar op den eed over
„Ik beziveer u bij den levenden God, dat gij ons zegt, of gij zijt de Christus, de Zone Gods." Als Zone Grods was hij opgetreden, Als Zone Grods had hij zich aangekondigd. En nu stond het Sanhedrin tegen hem op, alsof het zeggen wilde: „Dat beweert gij wel, maar onderwijl ge zelf weet dat het niet zoo is. Gi-e kunt, ge durft er geen eed op doen. Of durft ge, doe het dan. Ik hoogepriester Cajaphas, roep, ik vorder er u toe op. Ik bezweer u bij den levenden Grod. En nu
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Abraham Kuyper Collection | 208 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Abraham Kuyper Collection | 208 Pagina's