Zijn uitgang te Jerusalem - pagina 143
131
U
in Psalm 25 klaagt deze ontzaglijke lijder: „Wend tot !" Heere, en wees mij genadig, want ik ben eenzaam en ellendig Ook in Psalm 35 heet het: „Heere, breng mijn ziele weder \;m hun verwoestingen en mijn eenzame van de jonge leeuwen." Maar uit nog dieper diepte gaat toch het geschrei van den Man van smarte in Psalm 22 op: „Red mijn eenzame van het geweld des honds/' Met die „eenzame" bedoelt Jezus „zijn eigen ziel." Hij zelf is die „eenzame", die „verlatene", die op zich zelf geworpene en aan zich zelf overgelatene van geest. En eerst wie dit „mijn eenzame van het geweld des honds" in zijn schreiende diepte beluisterd heeft, die zal dan ook het Lamma Sabachtani uit den aanhef van datzelfde klaaglied verstaan „o, öod, mijn Grod, waarom hebt Gij mij, mij, eenzame, verlaten !"
Ook
mij,
:
Verlatenheid werpt een onbeschrijflijke beklemdheid op de ziel. Dat ligt in onze menschelijke natuur. Zie het aan uw jonge kinderen maar, hoe bang ze soms zijn om alleen te wezen dat houden ze niet uit en als ge ze in bangheid te 'lang alleen laat, zouden ze een stuip van angst krijgen. Vooral zoo verdriet en moeite u nasluipt en onheilige machten naar u toe dringen, spreekt die behoefte naar het bijzijn van anderen zich zoo machtig uit. Als er om middernacht plotseling een hevig onweder losbarst, staan onwillekeurig allen op en kleeden zich aan en zoeken elkander. Allen saam en bijeen doorleeft men liefst dat bange dreunen van de elementen der natuur. Wie uit een benauwden droom ontwaakt, is niet gerust, eer er iemand bij hem is, die een woord spreekt en, zijn hoofd tegen zijn ;
;
borst drukt.
Dat komt van het volkomen ware, instinctieve besef, dat al deze machten voor een ziel in haar verlatenheid te overweldigend zijn, en inkomen niet tegen ons alleen, maar tegen allen saam, en daarom door allen saam moeten worden ingewacht. Maar als het lijden nu zeer wreed op ons aankomt, dan misgunt ontzettende
het
ons die stille vertroosting van het goeddoend en verzachtend der onzen, en laat ons worstelen en zwoegen geheel ver-
bijzijn
laten en alleen. En in die verlatenheid komt dan de angst van het bangste heimwee zich bij het lijden voegen, dat we toch reeds droegen. En dan trekt het in ons hart zoo diep weemoedig, en dan schreit het, maar met tranen, die niemand opvangt. En dan klimt het ons naar de keel. En we worden zoo zielsbenauwd; dat we niet meer kunnen. En, o, dan die bittere wetenschap, dat het, of ge al roept en kermt, toch niet baat.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Abraham Kuyper Collection | 208 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Abraham Kuyper Collection | 208 Pagina's