In Jezus ontslapen - pagina 179
,,,
169
hen geen sprake. En zelfs onze Heiland zou geen alwetende kennisse van ons hebben, zoo hij niet de Goddelijke natuur deelachtig was. Ook in onze Catechismus maakt het antwoord op vraag 47 scherpelijk deze zelfde onderscheiding. ? Naar zijne menschheid is hij niet meer op aarde, maar naar zijn Godheid, majesteit, genade en geest wijkt hij nimmer van ons". Dat laatste nu komt aan onze ontslapenen in Jezus niet toe, en mag dus op hen niet worden toegepast. Eu overmits nu de kennisse van wat er met ous geschiedt en in ons omgaat, toch zulk een alwetende kennisse vereisen en zou is hier een grens gesteld, die we niet mogen verflauwen.
Er komt nog
iets
anders
bij.
tot op Jezus wederkomst nog de de zaligheid terstond voor hen ingegaan. 't „ Heden zult gij met mij in het Paradijs zijn." Zou het hiermede nu te rijmen zijn, dat onze afgestorvenen kennis droegen van ons lijden en van onze zonde? Als ze voortdurend onze angsten mee doorworstelden, en zich het hart ineen voelden krimpen bij onzen val in zonde, zou er dan, bij de zoo veel fijnere en intiemere liefde van hun hart, gelukzaligheid voor hen denkbaar zijn? Bedenk toch, dat de zwarte plek in onze ziel niet enkel uitkomt in onze grovere zonden, maar dagelijks in heel ons zondig leven werkt en alzoo bij hun fijner besef van heiligheid een gestadige bron van deernis en van ergernis voor hen zijn zou.
Al missen onze ontslapenen
volle heerlijkheid Denk slechts aan
,
toch
is
,
Moet op dien grond ernstig betwijfeld worden, of onze ontslapenen kennis dragen van wat na hun dood met ons en in ons op aarde voorvalt, een andere vraag is, of het leven der herinnering niet in hen wordt voortgezet. Wie naar verre landen reist, en in afgelegen streken van alle gemeenschap met wat hij thuis liet, is afgesneden, zet daarom toch het leven der verbeelding en der herinnering met de zijnen voort. En in dien zin nu bestaat allicht de mogelijkheid dat ook onze afgestorvenen in hun zalig leven daarboven ons in hun herinnering met zich dragen. Toch mag ook dit niet in aardschen zin worden opgevat. Er is voor hen een scheiding ingetreden, die ze in die mate op aarde nog niet gekend hadden. Heel hun leven wordt daar boven uit Christus als het middelpunt beheerscht. Wat eeuwiglijk tegen Christus ingaat, is van hun liefde afgesneden alleen wat Christus toebehoort of toebehooren zal boeit hun geheiligde liefde. Er moet dus ook in het besef van hun herinneringsleven een scheiding zijn ingetreden. Voor zooveel degenen die ze achterlieten, in Christus zijn, of door den band der verkiezing ,
;
,
_
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Abraham Kuyper Collection | 236 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Abraham Kuyper Collection | 236 Pagina's