In Jezus ontslapen - pagina 78
,
68
Nu
kimt ge in den traan zoowel een uiting van den vloek een vrucht van Genieene Gratie. Ze is een uiting van den vloek, voorzoover ze kreet van smart is. Ze is vrucht van
zien,
als
Gemeene
Gratie,
voorzoover
het
overkropt
gemoed
er
zich
in ontlast.
Maar hoe ge
dit ook neemt, altoos is het „weenen" blijk, u ellende door de ziel ging, of dat ellende u omringt. Want er is ook wel een „weenen van vreugde," maar dit is slechts het gevolg van een te felle gemoedsbeweging, waarover we geen meester meer zijn. Zoo is er ook een lachen van smart en een lach van den waanzinnige.
dat
Normaal genomen daarentegen, hoort de lach bij de vreugd, bij onze ellende. Een ellende, die bloot uitwendig kan zijn, als een kind zoo bitter huilt, omdat een stuk van zijn speelgoed hem door een speelgenoot werd afgenomen. Of ook de traan
ellende die tot in merg en been doordringt, heel ons hart ontzet, en ons voor God in zielesmart doet wegkwijnen. Maar altoos uiting van een bange gewaarwording die ons beklemt en knelt, en waaraan we ons pogen te ontworstelen; die uit de diepte van ons gemoed naar het oog opwerkt, en dan in het vochtig oog breekt, tot de traanperel zich gevormd heeft, en af biggelt langs onze wangen. Zijn we nu groot, dan vegen we zelf dien traan weg. Soms schamen we ons, dat een ander den traan in ons oog ont-
een
dekken
zal.
een kind laat zijn tranen afvlieten. En dan komt moeder en wischt die tranen van het kindergezicht weg. Ze doet dat met zorg, tot de laatste traan is afgewischt, en het kinderverdriet vergeten is, en er geen traan meer perelt. En zoo nu staat er van God den Heere geschreven, dat Hij ook zijn kinderen het vochtig oog droog zal maken, en alle tranen van hun oogen zal afwisschen. Een voorstelling dus, alsof zijn verloste kinderen met tranen in de oogen bij de poorte van het Vaderhuis aankomen, en alsof de Vader in de hemelen gereed staat, om, eer ze binnengaan in zijn heerlijkheid, die teekenen van hun geleden smart te doen verdwijnen. In Gods Vaderhuis lachen Gods heiligen, maar ze weenen er
Maar
niet meer.
In Gods zaligen hemel zou vloeken.
Dat
dit
beeldspraak
te z\jn,
en nog
weenen van smart,
te
behoeft nauwelijks gezegd. ten eeuwigen leven heeft den aardschen
is,
Wie werd opgeroepen
,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Abraham Kuyper Collection | 236 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Abraham Kuyper Collection | 236 Pagina's