In Jezus ontslapen - pagina 131
;
121
Op wat wijs is dat „afsterven van de zonde" verklaren? Wat plaats grijpt, is een doorsnijden van den band van de vezelen die ons hart in zondegemeenschap hielden maar hoe is dat doorsnijden van dien band en van die vezelen te verstaan? Er wordt meest over heen geloopen. Met de constateering van het feit acht men genoeg te nebben gedaan. En tot voor korten tijd scheen dat ook zoo. Niemand onder ons twijfelde er aan of tot op den jongsten snik zat de ziel nog door die vezelen aan de zonde vast; en ook twijfelde niemand er aan, of in den hemel was elke band aan de zonde ondenkbaar. Dus moest de afsterving van de zonde wel in ictu mortis, d. i. in het eigen oogenblik van het sterven liggen. van de zonde toe? te
,
,
Doch ook op dit punt drong van ethische zijde twijfel in. Men te gewagen van een prediking ter bekeering ook na den dood. Zelfs gingen er stemmen op, om het gebruik der sacra-
begon
menten ook na den dood
te
vernieuwen. Zoo
nam men
dus aan,
dat de zonde ook door den dood met ons ging. Iets waartegenover de perfectionist clan weer stelde, dat men aan de zonde reeds afstierf, of althans afsterven kon, lang voor zijn afroeping naar boven. Zoo kwam de „afsterving der zonde" bij den jongsten snik in het gedrang van twee zijden. En de vraag, wat dat „afsterven der zonde" in het sterven eigenlijk is, drong zich juist daardoor met te meer klem aan ons op.
Het meest voor de hand liggend, meest gereede, meest gegeven antwoord op die vraag zoekt die afsterving van de zonde in het scheiden van het lichaam. En te ontkennen valt niet, dat Paulus' uitroep: „Wie zal mij verlossen van het lichaam dezes doods ? " dat korte en eenvoudige antwoord schijnt te begunstigen. Den zetel der zonde zoekt zulk zeggen dan in het vleesch; en daar nu de dood de ziel van het vleesch afscheidt, en het eens zoo sterk tot zonde prikkelend lichaam in het machteloos lijk omzet schijnt het dan vanzelf verklaard, dat de afgescheiden ziel, die immers enkel geest is, voor altoos aan de zonde is ,
afgestorven.
Vooral zij wier hart het meest voor zinlijke zonde openstond, zeggen daar zoo van ganscher harte ja en amen op. Hun lichaam, hun vleesch en bloed, heeft bij hen levenslang de rol van de verleidster vervuld. Door die zonde sloop Satan telkens in hun ziel binnen. In hun beste oogenblikken hebben ze hun eigen vleesch en bloed gehaat en gevloekt. En nu voor altoos van dat lichaam af te komen, en enkel geest bij God te zijn, dat moet ,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Abraham Kuyper Collection | 236 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Abraham Kuyper Collection | 236 Pagina's