Zijn uitgang te Jerusalem - pagina 165
153
Zóó is het! Zóó staat het er! Wordt het zóó nu ook door u beleden en geloofd? „In den raad en de voorkennisse Gods" alles, niet slechts de algemeene lijdensidée, maar alles, tot in de kleinste bijzonderheid, te voren bepaald, dat geschieden zou „Bepaald", opdat de schijn zelfs weg zou vallen alsof de Zoon des "VVelbehagens ook maar één oogenblik, ook maar bij een enkel spotwoord, of één enkelen geeselslag, aan de willekeur der zondaren ware prijs gegeven. „Bepaald", opdat ge nooit in Golgotha een overmacht van het verderf over den Heilige zoudt vermoeden, en niets dan een indiensttreding zelfs van het schrikkelijkst verderf in de mogendheid van Gods raad zou uitkomen. „Bepaald", ook opdat het kruis van den Zoon van God in stee van de zielen te verbijsteren en te verwarren, juist omgekeerd een bezegeling van den Woorde Gods in ons oog zou zijn. „Bepaald", niet het minst, opdat de Christus zelf, dit al vooruit doorlevende, duizend dooden sterven zou eer hij stierf, en daardoor met helder bewustzijn, d. i. met zedelijke wilskracht en overgave, geen in bedwelming over hem uitgestort, maar een in nuchtere klaarheid vooruit gezien lijden, doorworstelen zou.
Of mag, kan Is dit voor
Maar, gedoemd
dit niet
God
te
?
wonderbaar?
bid u, zal een moeder, wier zoon tot het martelvuur dan wél in haar gezichten des daags en in haar droomen des nachts, doorleven kunnen al wat haar kind doorworstelen gaat, doorleven kunnen en mogen en het vooruit als zien, die ketenen, en dien optocht, en die houtmijt en dat vuur en dien paal en die beulen en dat stuiptrekken, en zal God Almachtig, als Hij zijn eenig Geliefde voor u in den dood geeft, daarmee dan niet in die ik
is,
—
r
bijzonderheden mogen bezig zijn, dat niet mogen vooruitzien, dat niet mogen indenken, en zich vergenoegen moeten met een ruw, omtrekloos beeld van de ure der duisternis die komt En indien wel, indien ge dan toch gevoelt, dat Golgotha, reeds bij schepping en verbondssluiting, om de liefde des Welbehagens, middelpunt van Gods gedachten was dat het niet anders kon of God de Tader moest met het lijden zijns Zoons bezig zijn; ja. dat bij al zijn heilig scheppen en bezielen altijd weer dat kruis voor zijn heilig oog in al zijn sombere tinten moest opdoemen, zeg mij dan, mijn broeder, waarom aarzelt gij dan nog? Of ziet de Heere dan soms, naar uw kleinheid, slechts de „groote omtrekken", zonder op „het kleine" te merken? En, ik dacht, elk haar van uw hoofd zou geteld zijn! En dan niet de doornen, die dat gezegend hoofd aan bloed zouden schrijnen? Of heeft de Vader dan al deze smart en smaad wel in zijn voor;
—
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Abraham Kuyper Collection | 208 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Abraham Kuyper Collection | 208 Pagina's