In Jezus ontslapen - pagina 82
u toe
zal
gaan,
is
een mysterie, dat zich nooit geheel voor u
Maar dat het zoo is, gelooft ge. Ge gelooft het op grond van Gods Woord. Ge gelooft het omdat in den hemel een ontsluit.
zondig leven ondenkbaar is. En gé gelooft het zoo willig en zoo gretig, omdat het een u zoo toesprekende, zoo intiem-rijke en innig-verrukkelijke gedachte is, van eens nooit, nooit meer te zondigen tot zelfs niet met de flauwste begeerte van uw hart. Nu zal die „ afsterving van de zonde" niet dit wezen, dat ge scheidt van aw vleesch. Als uw vleesch kwaad doet, is het uw ziel, uw ik, zijt gij het, die uw vleesch gebruikt om te zondigen, en Satan, die nooit vleesch had, is de vreeselijke ,
„vader
aller
zondaren"
die
alle
zonden gegenereerd heeft
uit
enkel geest. Dat „afsterven
van de zonde" moet derhalve in iets anders schuilen. Het is niet iets dat gij zelf doen zult, door, als ge op uw uiterste ligt, de wereld te vervloeken, en heilige voornemens op te vatten en plechtige beloften te doen. Het is evenmin iets wat uw lieven doen die, als ge den dood ingaat, uw sterfbed omringen. Het moet iets zijn dat God onder het sterven in u volbrengt, en daarom kan dat afsterven van de zonde niet anders zijn dan de voltooiing van uw heiligmaking. voegen er bij, dat het iets zijn moet, dat plotseling geschiedt. Immers zoolang er nog bewustzijn en adem om te spreken is, houdt het gebed om genade nog aan; iets wat na de afsterving van de zonde geen zin meer zou hebben. Ook is veler dood als een bliksem die inslaat, door een moord of een beroerte. En
We
anderen kant moet zóó als de adem weg is, de van de zonde voleind zijn. Want we spreken hier van iemand die ten hemel ingaat, en niemand gaat als zondaar den hemel binnen.
aan
den
afsterving
Ook dit nog. Er is onder de verkorenen
groot onderscheid. die sterven één sterft oud en wel. bedaagd met een zondig leven vóór zijn bekeering, en veel zonde in zijn leven na zijn bekeering, achter zich. Een tweede gaat de eeuwigheid in toen juist de wereld zich voor hem ontsluiten zou en hij juist voor de wereld gereed was. Een derde_ sterft als knaap of jong meisje. Een vierde nog jonger. En eindelijk zijn er ook, die reeds in de wieg de oogjes voor altoos luiken, of die doodgingen eer ze nog in het wiegje werden neergelegd. Dat alles nu maakt verschil groot verschil. Bij den één bewustzijn van zonde, kennis van zonde, bittere heugenis van zonde; bij den ander geen enkele zonde ooit gezondigd en geen zonde ooit gekend. En al mag nu de „ afsterving van de zonde " daardoor in den ,
De
,
,
,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Abraham Kuyper Collection | 236 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Abraham Kuyper Collection | 236 Pagina's