In Jezus ontslapen - pagina 88
78
weer binnengeleid. Binnengeleid tot in het centrum, tot midden in den hof, tot daar waar het middelpunt van alle Paradij sheerlijkheid is, tot vlak bij den Boom des Levens, opdat hij ervan ete, en leve in eeuwigheid.
De
van
blik
vreemde,
hem
maar op
het
wie
sterft,
wordt alzoo niet gericht op een
raadselachtige,
verleden,
op wat
hem hem
niet toesprekende toekomst, ontging, op wat hij verloor
en verzondigde. Jezus roept ons in ons sterven naar den rijkdom van Gods almachtige goedertierenheid in onze schepping terug. Onze staat van zonde en ellende wordt een tusschenbedrijf, maar daarachter is God, en is zijn almachtigheid, en zijn wondere schepping, toen de kinderen Gods juichten en de morgensterren vroolijk zongen. Toen God den mensch naar zijn beeld schiep, rein, heilig en heerlijk, en toen God voor den naar zijn beeld geschapen mensch het paradijs bereid had, gedoopt in een weelde van zaligheid, waarvan de heugenis in het heimwee van ons hart voortleeft, en waarin de goedheid
Gods zich zelf verheerlijkt had. Nu was dat alles weg. Yoor ons besef was het teniet gedaan. Het was, of het niet meer bestond. En alsof er nieuw voor ons gebouwd moest worden, zou er ooit weer een woonstede zijn, om met vreugde des harten te bewonen. Maar zoo verstaat Jezus het niet. Neen, en driewerf neen, roept hij ons heiligen toe. Dat Paradijs is niet weg, het was alleen maar verloren. En dat verlorene keert terug. Dat verlorene heb ik voor u teruggevonden, gelijk God het voor u bewaard heeft.
En dat juist zal uw eeuwige vreugde zoo rijk, zoo overvloedig, zoo overstelpend maken, dat ge na uw sterven uw vrienden en geburen in de zalen des eeuwigen lichts te zamen zult roepen, zeggende, weest blijde met mij, want dit mijn Paradijs was verloren, en dat Paradijs is teruggevonden. God had het voor mij bewaard.
De Boom
des levens in dat Paradijs moet daarom een mysterie hij een zoo bloeiende vrucht: de kracht des eeuwigen levens verbergt. Iets kan men daarvan verstaan, als men inziet, hoe de verborgen kracht der ziel te gereeder en te ongestoorder uitkomt en doorwerkt, hoe meer het lichaam volvaardig der ziel ten dienste is, en in niets haar weerstaat of belemmert. En zoo is blijven,
omdat
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Abraham Kuyper Collection | 236 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Abraham Kuyper Collection | 236 Pagina's