Zijn uitgang te Jerusalem - pagina 129
117 door ruwheid ziet mishandelen en links en rechts van het vloekhout waaraan Jezus hangt, twee kinderen der menschen, elk aan een eigen kruis, als levende bewijzen hoe in moord op menscheu gepleegd, de zonde van het menschelijk hart haar voleinding zoekt. Denkt u Maria en Johannes, in wie niet eigen glans, maar afschijnsel van Jezus blonk, weg, en er is in heel deze menschelijk e verschijning op (xolgotha niet één lichtpunt. De duisternis die het kruis straks omfloerste, was slechts uitdrukking van de donkerheid ;
die hier geestelijk heerschte. Als nacht in de natuur, en niets
dan zwarte nacht in het mendat booze des menschen als verzinbeeld in die twee moordenaars, die met hun kruisen het kader vormden, waarin Jezus' kruis gevat was.
schenhart,
En
is
in die donkerheid
Diep moet Jezus,
dit
komt kan
al het licht van Jezus. niet anders, de beleediging gevoeld in zijn dood hem zulke lotgenooten
hebben, dat men tot zelfs opdrong. Dien moordenaar aan zijn linker- en dien moordenaar aan zijn rechterzijde te zien, moest voor zijn besef een heiligschennis zijn, hem in die ontzettende ure, tot in zijn sterven aangedaan. Zelfs de eerbied voor zijn sterven was hier geweken. En toch ergert Jezus zich niet. Hij verafschuwt die hinderende gestalten niet die zich van stervenspijn aan hun kruis wringen. En zelfs als één van die twee nog te midden van dezen doodstrijd de door koortsdorst schorre keel misbruikt om den Koning vol glorie te hoonen, komt er geen woord over Jezus' lippen, om hem te vloeken. Ook dit duldt, ook dit draagt, ook dit ondergaat uw Heiland. En zijn lippen openen om zijn medekruiselingen toe te spreken, doet hij eerst dan, als die andere moordenaar de taal des geloofs heeft doen hooren. Ook hier is het de Zoon des menschen die gekomen is niet om te oordeelen, maar om te redden. En als hij sjieken gaat, komt er geen vloek voor den roekeloozen spotter over zijn lippen, maar een zegenbede, een profetie van heil voor wie nog in zijn sterven naar Messias opzag. „Heden zult r/ij met mij in Tiet Paradijs zijn!" Taal van G-oddelijke hoogheid, want nog terwijl de wereld hem uitwerpt, en de adem hem opkort in de keel, en hij een gevloekte iu aller oog is, spreekt hij als de Koning van het Godsrijk, die de zaligheden des hemels te Vergeven heeft. Bezwijkend ouder zijn doodsmarte, ziel hij het Paradijs geopend, waarheen zijn ziel aanstonds in vreugde zal ingaan. Terwijl zijn moegestreden ziel stervend dien voorsmaak van eeuwige vreugde geniet, blijft liefde, een liefde die zelfs den moordenaar omvat, de ademtocht zijns harten.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Abraham Kuyper Collection | 208 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Abraham Kuyper Collection | 208 Pagina's