Zijn uitgang te Jerusalem - pagina 42
30
den muur was losgebroken, en die alleen, en van allen vermoest slaan. Hem die geen Heiland achter zich had, om met zijn schild hem te dekken, maar die zelf de Heiland was, en die met eigen hand het schild moest opheffen, dat allen dekken zou. Hem, die wel verre van op het Kruis van Grolgotha, gelijk elk van
laten, er de bresse in
martelaar, te kunnen terugzien, zelf dat kruis beklimmen moest, er de zonde der wereld op te dragen. Greheel de gedachte, om in Jezus den martelaar te zien, is dan ook zoo valsch, als het zich slechts denken laat. Jezus is niet de martelaar, maar hij maakt den martelaar, en het is door zijn op Grolgotha gewonnen kracht, dat uw Jezus
om
Uw
den martelaar
doet triomfeeren.
En ziehier nu de tegenstelling: De martelaar scheidt zich van de menschheid af om zich als een offerande Glode op zijn altaar toe te keeren, maar uw Jezus 'gaat vloek en dood tegen in de nauwste en innigste verbinding juist met onze menschelijke natuur. De martelaar overwint door den band met zijn menschelijke natuur in den moed des geloofs te verbreken. Zijn moeder, zijn vrouw, zijn kind, hij snijdt het alles van zijn hart af. Uw Jezus daarentegen kan uw Heiland niet zijn, of hij moet tot in de diepte van vloek en dood dat menschelijke juist met zich dragen. De martelaar sterft voor Jezus, maar uw Jezus sterft, om de zonde der wereld te dragen. Hij kan, hij mag, wat des menschen is, niet aan den ingang van Grethsémané achterlaten. Hij moet het met zich nemen. Hij moet het uit Grethsémané, over Grabbatha, naar Grolgotha dragen. Hij kan onze menschelijke natuur, en, in de aankleving aan die natuur, onze zonde, geen oogenblik loslaten, of hij houdt op onze Heiland te zijn. Jezus zit, als we ons eerbiediglijk zoo mogen uitdrukken, aan de gevallen menschheid vast, en moet den zondaar, met wiens leven zijn eigen leven dooreengestrengeld is, heel den langen lijdensweg met zich sleepen. Als Jezus zich in zijn lijden en sterven zóó tot zijn God had opgeheven, dat hij ons verloren had, dan waren we ook verloren geweest. En dan alleen kon hij onze Redder, onze Groël, onze Heiland zijn, zoo hij, door vloek en dood henen, ons bij zich hield, ons met zich droeg en zoo onze zonde torste. En dat nu deed hij niet in de gedachte, niet in de voorstelling, maar in de realiteit. Hier was niet het Woord als woord, maar het Woord vleeschgeworden. Het raadsel lag in zijn aanneming, niet van ons beeld, noch
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Abraham Kuyper Collection | 208 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Abraham Kuyper Collection | 208 Pagina's