Zijn uitgang te Jerusalem - pagina 168
156 de bange zielssmart, die op Golgotha stond te komen, en die krachtens de vaste gegevens der menschelijke natuur en naar de vaste verhoudingen van de diepten des Doods zou moeten komen tot dat ontzaglijke punt, waarop met noodzakelijkheid de schrikkelijk bange klacht van het „Eli Sabachtani" door de saamgeklemde keel in de laatste stuiptrekkingen zou worden uitgestooten. En gelijk het
nu
ons, die na
Golgotha leven, soms geschonken
de litteekenen van het lijden des Heeren te dragen, zoo ook was het aan enkelen der uitverkorenen onder het Oud Verbond voor Grolgotha geschonken, die litteekenen van het lijden des Heeren reeds vooruit te dragen. De Man van smarten is in de lijdende knechten van Jehovah vooruit afgebeeld. Maar terwijl nu een gansche reeks van geloovigen vooruit reeds die litteekenen van het kruis eenigermate, in zwakke afstralinggekregen had, was er nu één man van God gesteld, voor wien deze eere in de hoogste volkomenheid was weggelegd, en die man was David. David bij wien deze twee dingen plaats grepen: ten eerste dat hij metterdaad „in den ondersten kuil zonder water" geworpen werd, en ten andere dat de Heilige Geest, toen hij zijne bange klacht uitstortte van eigen lijden, hem als instrument voor de openbaring van Messias' lijden koos, en, den toon zijns Jclagens oneindig verdiepend, alsnu door inspiratie over zijn lippen die klacht der volstrekte verlatenheid liet komen, die niet door inspiratie, maar door de realiteit eens moest komen over de lippen van Messias. Zoo is dus uit de roornitdoorleving van Grolgotha de zielsklacht in Psalm 22 geboren, en Christus, op Grolgotha zelf dien kreet der helsche benauwing uit zijn ziel stootend, zei niets na en zei niets op, maar scheurde uit zijn bezwijkende ziel, wat er naar de schrikkelijkheid zijns doods en de oneindige diepte zijner gewaarwording, op dat oogenblik met volstrekte noodzakelijkheid over zijn lippen wordt,
komen
moest. Hij, het eeuwige
was
ons
gelijk
Woord, de Zone Gods, was mensch, was
geworden,
vleesch,
de zonde alleen uitgenomen, gelijk in
alle ding.
Op
het allerinnigst en teederst had hij onze menschelijke natuur goddelijke natuur vereenigd. Niets, hoe zou het. ging zijn Godheid af, en toch uit teeder erbarmen, beschikt hij het, op voor ons onbegrijpelijke wijze zoo, dat toch die menschelijke natuur ongeschonden menschelijk bleef, zoodat wij waarlijk zouden kunnen getuigen: Ja waarlijk ons vleesch 1 Als onzer één
met van
zijn
geworden
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Abraham Kuyper Collection | 208 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Abraham Kuyper Collection | 208 Pagina's