Zijn uitgang te Jerusalem - pagina 107
95
uitmoording zooals geen stad bijna ooit gekend
heeft.
Dagen
zoo
bang, dat alle ziel in angst den dood zoeken zou, en roepen: „o, Bergen, valt op ons, en gij, heuvelen, begraaft ons!" Toen hield het schreien op, en vervolgde Jezus zijn zwareri gang naar de Hoofdschedelplaats.
dit heerlijke moment was er dan toch geweest. Jezus zelfs in zulk een oogenblik zichzelf en eigen smart vergetend, om met heel zijn ziel, en met al de menschelijke deernis, die het leven zijner ziel spande, in de vreeselij ke straf, die Jeruzalem wachtte, in te leven. Maar niemand begreep hem. Dat Jeruzalem nog eenmaal zou worden uitgemoord, wel mogelijk. Maar wat had die toekomstige uitmoording met dien veroordeelde,
Maar
Uw
die ter strafplaats
werd
uitgeleid, te
doen?
de altoos teederder gevoelende vrouw van Jeruzalem verstond, begreep het niet, dat Jeruzalem er om Gods wil was, en dat het door zijn afgoderij vóór de ballingschap in Grods tempel in te dragen, den Almachtige zoo schrikkelijk vertoornd had, en daarom toen zoo doodelijk was geslagen. En nog minder verstond Jeruzalem wat nu, op Grolgotha, stond te gebeuren, als de stad die Grod verkoren had, het vermetele bestaan zou, om Grods eigen lieven Zoon, om den Beloofde der vaderen, om Israëls Messias als Godslasteraar aan het kruis te slaan. Die vrouwen, ze zagen het voor oogen, en toch zagen ze er niets van. Alle beteekenis van wat ze daar voor zich zagen, ontging haar. Het was een afgrond met bloemen overdekt, waarover ze heengolfden. En ze voelden niet, dat zij zelven meêmoordden, ook al was het dat ze weenden om Jezus, want dat indien zij, met al Jeruzalems vrouwen, recht hadden gestaan, en in Jezus (xods Gezalfde hadden erkend, met haar ook heur mannen en heur zonen Jezus zouden zijn te voet gevallen, en hem zouden hebben aangebeden als hun Ileere en hun Grod. Ze stonden daar te weenen, maar in haar ongeloof. Zij zelven verwierpen den Grezalfde Grods. Ze miskenden Jezus, omdat ze hem niet kenden. En ze konden hem niet kennen met heur ongeloovig hart en verhard gemoed. Ze denken dat Cajaphas en dat Pilatus de wreeden zijn, en zij de meewarige en gevoelvolle vrouwen. En dat zijn ze niet. Zij zelven zijn de medeschuldigen. Die vrouwen zijn uit den volkshoop van Jeruzalem, en dat Jeruzalem verwerpt zijn Koning en zijn Heiland, en holt naar buiten, om ginds op Grolgotha te staren naar
Jeruzalem,
zijn kruis.
ja,
zelfs
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Abraham Kuyper Collection | 208 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Abraham Kuyper Collection | 208 Pagina's