In Jezus ontslapen - pagina 177
,,
167
God
alleen uit, en zijn beantwoordende gewaarwordingen alleen uit God en in zijn gemeenschap ontvangt.
XL. fr
2tbtci{)am meet
tmn mt3
niet en
3êraël fent
ottè niet".
Gij zijt toch ouze Vader, want Abraham weet niet, en Israël kent ons niet, Gij, o Heere, zijt onze Vader onze Verlosser, van ouds af, is uw naam. Jesaia 63 16.
van ons
;
:
Merkt wie ontsliep nog wat na zijn verscheiden hier op en met name in zijn gewezen levenskring voorvalt? Men kan de vraag stellen, of wij die achterbleven, nog iets voor onze dooden kunnen doen; maar ook die andere of onze dooden nog iets doen kunnen voor ons. En dit nu hangt grootendeels af van de mogelijkheid of onmogelijkheid waarin ze verkeeren, om kennis te nemen van ons lot en van wat er omgaat in ons hart. Men weet hoe thans vooral het Spiritisme deze teedere vragen weer aan de orde heeft gesteld. Maar toch is ook in vroeger eeuwen de geest der beroofden en der treurenden naar een antwoord op deze vragen uitgegaan, en heeft men onzerzijds zich daarbij vooral vastgeklemd aan het gebed van Jesaia dat in het slot van kapittel 63 zijner Godspraken staat opgeteekend, en waarin onder meer deze besliste uitspraak voorkomt: „O, Heere, Abraham weet van ons niet en Jakob kent ons niet Gij zijt onze Vader Verlosser van oudsher is uw naam." Toch zij men op zijn hoede om hieruit niet meer af te leiden dan er in ligt. Toen Jesaia alzoo bad, was Abraham en was Jacob reeds voor vele eeuwen gestorven. Hier op aarde had noch Abraham noch Jacob ooit Jesaia of een zijner tijdgenooten leeren kennen. Kennis der herinnering kon hier dus niet bestaan. Hier wordt aarde,
,
,
;
,
dus wel in zeer beslisten zin uitgesproken, dat de ontslapenen niets afweten van toestanden of personen, die ze bij hun leven op aarde niet gekend hebben; maar er volgt nog geenszins uit, dat ze niet zeker medeleven zouden kunnen voortzetten met den kring op aarde dien ze gekend hadden.
Eer zou men omgekeerd kunnen zeggen, dat Jezus in de van den rijken man en Lazarus aan Abraham kennisse omtrent het lot dat op aarde aan personen die lang na hem leefden, wedervaren is. In die gelijkenis toch toont
gelijkenis toeschrijft
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Abraham Kuyper Collection | 236 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Abraham Kuyper Collection | 236 Pagina's