Zijn uitgang te Jerusalem - pagina 27
15
hem en
de zonde gaapte, het bangst gemeten, en het snijdendst in zijn heilig hart den vreeselij ken greep der voleinde zonde nijpen voelde, was toen het tusschen hem en Judas stond. Grer echtelijke moord is ontzettend, maar verraad grijpt het hart veel dieper aan.
Toch moet ge daarom
in Judas niet een aterling zien, die door onmensehelij ke boosaardigheid buiten u en uw geslacht staat. Daar neigt het oordeel wel toe, en bij zoo schrikkelijk laaghartigen gruwel kunt ge u haast niet inbeelden, dat ge nog met
zijn
mensch van gelijke bewegingen als gij te doen hebt, en dan ge in Judas meer een duivel dan een mensch. Maar de historie van het Evangelie wraakt en weerspreekt die geliefkoosde voorstelling, die over Judas als een demon heenvalt, om het eigen hart aan de pijnlijke gemeenschap met het hart van den verrader te onttrekken. Al voer Satan ten leste in Judas' hart, hij zelf was geen duivel, maar een mensch als gij, en wie uwer in die drie jaren van Jezus' om wandelingen op aarde Judas in Jezus' kring ontmoet had, zou van verre niet vermoed hebben, dat deze schijnbaar zoo vrome man ten slotte zulk een schandelijk stuk bestaan zou. Judas had zich tot' Jezus aangetrokken gevoeld. Hij had alles verlaten om Jezus te volgen. Hij had zich nauw aan Jezus aangesloten. Toen te Kapernaüm zoo velen van Jezus weggingen, was hij gebleven. Niet maar onder de zeventig, maar onder de kleine groep van het twaalftal was hij opgenomen. Drie jaren lang had hij in het volgen van Jezus volhard. Met de overige elf was hij door Jezus uitgezonden om het Evangelie aan de steden van Juda te brengen. Om voor Jezus te roepen en voor Jezus te winnen was hij het land doorgegaan. Hij had teekenen en krachten gedaan in Jezus' naam. Zelfs was de geldbeurs van het heilig gezelschap hem toevertrouwd. En nergens vindt ge op het Evangelieblad in het verhaal van die lange jaren ook maar één daad, één woord van Judas opgeteekend, waaruit te vermoeden viel, dat hij op het oog van de overige vrome jongeren te onderscheiden Eerst op het laatst spreekt Johannes van gelddieverij, en viel. van zijn uitroep voor de armen. G-een twijfel dan ook, of, als ge Judas met de overigen waart tegengekomen, zoudt ge niets aan hem bespeurd, niets kwaads van hem vermoed hebben, en zoudt ge onder den indruk hebben verkeerd, van ook in Judas een vroom en getrouw volgeling van Jezus te mogen begroeten. En wel verre van daar dat Judas' verschijning een afschuw in ü zou hebben verwekt, zoudt ge hem met eerbied genaderd zijn, een
ziet
.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Abraham Kuyper Collection | 208 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Abraham Kuyper Collection | 208 Pagina's