In Jezus ontslapen - pagina 127
,:
117 prikkelen, is, als er nooit een veer is die wordt neeren flauwhartigheid levenstoon werd. Dan is er niets dat u steunt of draagt dan moet elke aandrift uit uw eigen geloof opwaken. En daarom wie dan toch volhardt en doorzet en overwint overwint tot den einde toe, hij heeft den taaisten strijd gestreden, hij is het pijnlijkst gemarteld als geloofsheld gaat hij de anderen voor. Nu is erlangen van deel aan koninklijke eere en koninklijke heerschappij onder ons ondenkbaar, maar was in het Oosten ver van zeldzaam. Liet niet Pharaö Jozef kleeden in het koninklijke gewaad, en werd hem niet de macht over heel Egypteland gegeven? Lezen we niet in Esther (6 8) dat men den verkorene des konings zou aandoen het kleed dat de koning pleegt aan te trekken, en dat de koninklijke kroon op zijn hoofd zou worden gezet? Staat ook van Daniël niet vermeld, hoe Belzazar hem gelijke koninklijke eere toezei? Zong niet David van Messias hoe* God hem betuigd had „ Zit aan mijne rechterhand (d. i. op mijnen troon) totdat ik uwe vijanden zal gezet hebben tot een voetbank uwer voeten"? Kortom, was de Grootvizier, die feitelijk alle macht uitoefent en eere als de koning zelf geniet, niet heel het Oosten door de heerscher tot wien allen ooit
te
gedrukt
,
;
,
,
,
,
:
:
opzagen ?
Vandaar dat het zitten van Jezus als Koning aan Gods rechterhand in de dagen der apostelen niemand vreemd leek, en zelfs de vraag waar dan het koningschap van God zelf bleef, bij niemand deed opkomen. Alleen maar, wat de Christus ontving, ging in één opzicht nog alle Oostersche hofeere te boven. Pharaö gaf aan Jozef alle macht over land en volk, en zelfs over het vorstelijk paleis, maar voegde er toch bij „ alleen dezen troon zal ik grooter zijn dan gij" (Gen. 41 40). Doch zelfs die troon heeft God zyn Gezalfde toegewezen. De verhoogde Middelaar zit met den Yader in zijnen troon. En zittende in dien troon blijft zijner de bede: „Vader, ik wil dat waar ik ben, ook die bij mij zijn, die Gij mij gegeven hebt": en het is op die bede, dat de belofte het Amen brengt, als het hem die overwint op Pathmos wordt toegeroepen Gelijk ik overwonnen heb, en nu zit met mijnen Vader in zijnen troon, zoo zult ook gij in den dag van glorie met mij zitten in mijnen troon. :
:
,
,
Natuurlijk komt het hierbij op de toekenning van macht en heerschappij aan. Van een zichtbaren troon kan hier geen sprake zijn. Immers vergeet niet, dat deze eere aan alle gezaligden beschoren is. Wie niet overwon maar bezweek gaat niet ter ,
,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Abraham Kuyper Collection | 236 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Abraham Kuyper Collection | 236 Pagina's