In Jezus ontslapen - pagina 155
,
145
Want
wel,
let
vermeerdert zoo
niet wassen en toenemen, of men Vermeerdert ge nu heden in kennis,
men kan kennis.
zijn
was uw kennis van gisteren een kennen ten
deele.
Wie
onze ontslapenen een voortgaan in ontwikkeling, een toeneming in heiligheid, een wasdom in genade onderstelde, zou daarmee tevens „ het kennen ten deele " in de eeuwigheid overbrengen, en dat verbiedt het apostolisch woord. Of is het niet zoo, dat een kennis die nog gaandeweg toeneemt en blijft toenemen, het merk van het o?ivolmaakte draagt en nooit volalzoo
bij
maakt kan Dat is
zijn?
—
alles
—
iets
waarop niet met genoeg nadruk
te
een overbrengen van aardsche verhoudingen in het wijzen is eeuwige. Doen, alsof het aan de overzij van het graf slechts de voortzetting ware van ons leven hier. De school de hoogeschool aan de overzij van het graf. Hier peinzen en zinnen, daar peinzen en zinnen. Hier onderzoeken en studeeren, daar onderzoeken en studeeren. En zoo ook in den hemel de wijze man en het onnoozle kind. De hoogmoed en de trots der geleerden tot in de eeuwigheid ingedragen. En juist die trots van ons weten moet tot zelfs bij den geniaalsten denker in het graf begraven worden. Als de kundigste hoogleeraar een jong kind verliest, en dat kindeke behoort tot de vrijgekochten des Heeren dan beteekent al de kennis en de geleerdheid van dien schranderen vader niets niets bij de volmaakte kennis waartoe het kindeke inging. Dan keert het graf op eens de verhouding tusschen den vader en dat kindeke om. Voor dat sterven hij de wijze man en dat kindeke het onnoozel wicht. Na dat sterven hij de onnoozle spiegelkijker en dat zijn ,
,
,
,
kindeke God kennende volmaaktelijh.
Zoo als de boom valt, zoo blijft hij liggen, is (nu afgezien van de juiste of min juiste uitlegging van Pred. 11 13) de zinrijke uitdrukking voor de allesbeheerschende, diep-ernstige, zieldoordringende gedachte, dat er geen bekeerihg is na den dood. Ook daarin ligt weer hetzelfde uitgesproken: Na het sterven geen ivorden of verworden meer doch een ingaan in het eeuwige zijn, en in dit zijn onveranderlijk blijven. De Sabbat. De eeuwige ruste. Dat er in het eigen oogenblik van het sterven nog iets in een ziel gebeuren kan waar niemand die bij het sterfbed staat iets van merkt, hield Calvijn vol, en ieder die Gods ontfer:
,
,
,
mingen groot neemt
,
met hem
;
maar
als
de slag gevallen
is
,
is
er een beslissing voor eeuwig.
Een meerdere
,
een betere kennis van het Evangelie van eigen ,
10
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Abraham Kuyper Collection | 236 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Abraham Kuyper Collection | 236 Pagina's