In Jezus ontslapen - pagina 25
,
15
Toen God Mozes opriep om voor Israël een „tente der samenkomst" te bouwen, toonde Hij hem „een huis niet met handen gemaakt, dat eeuwig in de hemelen is". „ Zie" dan toe," zoo luidt het woord des Heeren in Ex. 25 40 „ zie dan toe dat gij het alles maakt naar het exempel dat u op den berg getoond dat het ons in het Nieuwe Testament is. Een feit zoo gewichtig 44 en daarna in Hebr. 8 5 tot tweemaal toe eerst in Hand. 7 :
,
,
,
:
,
:
herinnerd wordt. Hier bestond alzoo een mystieke samenhang tusschen den „tabernakel" in de woestijn en „de woonstede van God" in den hemel, en als de tabernakel zich straks tot den heerlijken tempel van Salomo ontplooit, is het gebrekkige te niet gegaan, en heeft het volkomene er zich uit ontwikkeld, maar zoo dat beide malen in tabernakel en in tempel zich de oorspronkelijke gedachte Gods; die aan Mozes getoond was, afspiegelt. Dit nu brengt de apostel, bij de keuze van zijn tweede beeld, op ons lichaam over. De roem van het Verlossingswerk is, dat God zelf woning in het hart van zijn geheiligden maakt, en dat de Heilige Geest in ons als in zijn tempel bidt en troost. Zoo is Gods kind zelf een woonstede Gods, zijn lichaam een tempel des Heeren geworden. En in aansluiting hieraan nu het heerlijke beeld van tabernakel en tempel op ons zelven overbrengende, zegt hij dat het sterfelijk lichaam, waarin we hier omwandelen, de tabernakel in" de woestijn is, en dat die tabernakel onder moet gaan, om plaats te maken voor den heerlijken tempel, voor het huis niet met handen gemaakt, ons voltooid, ons voleindigd, ons verheerlijkt lichaam in de hemelen. In twee beelden, het eene uit de algemeene en het andere uit de bijzondere Openbaring, alzoo dezelfde rijke gedachte: Het lichaam, waarin we nu omwandelen, gaat te niet, maar wordt eens vervangen door veel heerlijker lichaam, en tusschen die beide bestaat, naar Goddelijke ordinantie, een verborgen, een mystieke samenhang. De aar komt uit de graankorrel, de tempel uit den tabernakel voort.
Toch was hiermede nog
De
niet
genoeg gezegd.
vraag viel toch niet te onderdrukken, of deze overgang, deze gedachtenwisseling deze ontplooiing van het verderfelijke in het onverderfelijke, opeens, in één punt des tijds toegaat, dan wel of er tusschen het ondergaan en het weer opstaan verloop van tijd ligt. ,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Abraham Kuyper Collection | 236 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Abraham Kuyper Collection | 236 Pagina's